is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezen heuvel zullen dus oorspronkelijk van de Havik (6) ongeveer evenwijdig aan deze grachten hebben geloopen, om daarna, evenals tegenwoordig, naar het noordoosten te buigen. Deze oude plaats van •de hoogtelijnen van 300 en 350 is op kaart ib gestippeld.

Is het te gewaagd om te veronderstellen, dat deze ophooging van het terrein plaats vond in den tijd, toen de"Hof "van den Heer (curtis) een rol speelde? Of de Hof zich in twee stadia heeft ontwikkeld, nl.: a) op de NW helling van hoogte 451 en bij het einde van den houten weg, b) tot aan de oude Eem — thans Lange- en Korte Gracht (4 en 5) — op het opgehoogde terrein, is (nog) niet uit te maken. Dat de Hof (curtis) zich heeft uitgestrekt ten ZO van de Langestraat (13), zooals Leyden veronderstelt en teekent, lijkt gezien de aanwezigheid van de Voordebrug niet waarschijnlijk. Indien de weg dóór den Hof liep, beteekende dat militair een verzwakking. Ook is deze grens van den Hof in strijd met de latere indeeling van de stad in wijken.

Door dezen houten weg krijgt Amersfoort een dergelijke beteekenis in zeer vroegen tijd, dat hier een bevestiging van de opvattingen van Leyden wordt gevonden over den loop van de oudste wegen. In het kort komen deze opvattingen hierop neer: Een weg van Dorestad en een van den Bisschopszetel Utrecht komen ten westen van de voorde bijeen. Bij den overgang over de rivier verrees een versterking. De aanduiding Wijkerweg op de kaart van Kuiper (1867) wijst op Dorestad.

Dit gegeven op zich zelf is niet voldoende om de veronderstelling Dorestad te wettigen; het is immers bekend, dat Amersfoort met den in Wijk-bij-Duurstede wonenden Bisschop David van Bourgondië (± 1475) nauwe betrekkingen onderhield. Door de aanwezigheid van den houten weg is het nu evenwel mogelijk verder terug te gaan tot een veel vroeger tijdvak, vóór het ontstaan van de binnenstad. Dus toch tot Dorestad!4).

Voor het vervolg van de veronderstelling van Leyden, nl., dat de weg van Dorestad, naar het noonden verlengd over hoogte 450 zou loopen tot in de bosschen en venen van het voormalige Almere, lijkt niet veel te pleiten. Men zal daar allicht hebben geprobeerd om te varen. De Eem gaf daar reeds goede gelegenheid toe.

Als wij dus mogen aannemen dat de voorde door de Eem in den Karolingischen tijd al van belang was, dan rijst de vraag of de oorsprong van den Hof bisschoppelijk is. Gelegen aan een belangrijken verkeersweg naar het land der Saksers, in een tijd waarin van wereldlijke macht van het Bisdom nog geen sprake is, schijnt een ridderburcht waarschijnlijker. In dit gebied lag immers de gouw Flehite.

Al is de Hof dan als militaire versterking in den Karolingischen

4) Dorestad kwam reeds in 864 ten val. Holwerda, Dorestad en onze vroegste middeleeuwen. 1929. Pag. 9 en 91.