is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Holoceen bestond er een doorloopende verbinding tusschen den Rijn en de streek van Eemland door de Geldersche Vallei. Deze verbinding is later, naar mate van de voortschrijdende erosie van de Betuwe, geleidelijk minder stabiel geworden en ten slotte in zooverre verbroken, dat slechts bij hoogen waterstand een doorloopende „Vliet" van den Rijn naar de omgeving van Amersfoort in stand bleef. Dit nu schijnt mij ook historisch gezien van belang. De Eem van Wageningen—Renen en de Eem van Amersfoort maakten oorspronkelijk deel uit van eenzelfde rivier; vandaar ook nog in den lateren tijd eenzelfde benaming. Maar doordat deze rivier steeds meer gedegradeerd werd tot de functie van een, slechts tijdelijk stroomende „Vliet", werd in de vroege middeleeuwen de gouw rondom dezen voormaligen Rijntak niet Eemgouw, maar Vlietgouw (Flehiti) genoemd5). Dit was trouwens een zuiver geografische benaming; er is geen graafschap uit deze gouw bekend, en het is dus niet juist te spreken van een „overgang" van de streek van Amersfoort van de Vlietgouw aan het Sticht. Over de oude bezitsrechten weten wij trouwens in dit opzicht nagenoeg niets.

De Lunterensche Beek is dus eigenlijk de opvolgster van de oorspronkelijke, doorloopende Eem. Het beekje, afkomstig uit de omgeving van Lunteren, heef(t in de oude rivierbedding een zandkegel aangeslibd en dus eigenlijk bijgedragen tot het verbreken van een doorloopenden waterweg; men zou dus kunnen zeggen dat het gedeelte van deze beek beneden Scherpenzeel ten onrechte nog den naam draagt van Lunterensche Beek. De tweede benaming, Heiligenberger Beek, toont eveneens aan dat zich hier een naam uit later tijd aanmeldt, die ontstaan is nadat de beteekenis van de oorspronkelijke doorloopende waterverbinding na den aanleg van den Grebbedijk in vergetelheid was geraakt.

Het is dus m.i. niet volkomen juist den ouden oorsprong van de Eem in het Zuidoosten van Amersfoort te willen zoeken; veeleer was de Eem oorspronkelijk een Rijntak, en er kan alleen sprake van zijn, dat de tegenwoordige Luntersche en Barneveldsche Beken oorspronkelijk in het Zuidoosten van Amersfoort samenstroomden.

Of, zooals Dr. Regelink aanneemt, de Westsingel en de Havik oude hoogwaterbeddingen zijn omdat de hoogtelijnen van de binnenstad hier een dalvormig beloop hebben, laat ik in het midden (voor de Havik is het niet buitengesloten) ; men moet nl. met 'de interpretatie der hoogtelijnen van de oude steden niet te ver gaan, omdat juist door den aanleg van stadsgrachten kunstmatige dalen kunnen zijn ontstaan 6)-

5) Zie mijn opmerkingen over de Vlietgouw (Flehiti) in dit Tijdschrift 2/LVIII, 1941, pag. 59 e.v..

6) Ik heb dit aan het voorbeeld van Arnhem nader toegelicht; zie Hist. Tijdschr. XIX, 1940, pag. 33.