is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo bepaalt de bestaande Jachtordonnantie (van 1931), dat er verschillende jachtacten kunnen worden verkregen, uiteenloopend van tien tot twee honderd gulden. Op een acte van tien gulden heeft men dan het recht te jagen op trekwild en klein wild, een acte van twee honderd gulden geeft recht op het jagen op grof, wild. Verder is er nog een acte A, die recht geeft op het uitoefenen van de jacht op schadelijk gedierte, waarvoor geen jachtgeld verschuldigd is, een kostelooze acte dus. Maar bij de Jachtverordening is bepaald wat onder schadelijk gedierte, wat onder trekwild en klein wild, wat onder grof wild moet worden verstaan. Niet alleen worden de dieren die tot elk van deze categorieën behooren met name opgesomd, de verordening bepaalt ook hoeveel stuks men van grof wild mag schieten op een bepaalde acte. Voorts is ook in de verordening vastgelegd, wanneer de jacht op bepaalde diersoorten geopend is en welke jachtmethoden al of niet geoorloofd zijn.

Deze regeling heeft het groote voordeel dat men, als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, nu zonder een langdurige procedure gemakkelijk wijzigingen kan aanbrengen in de diersoorten, die men op een bepaalde acte mag jagen, of veranderingen kan aanbrengen in de tijden dat de jacht is opengesteld. Wanneer een bepaald soort wild schaarsch dreigt te worden, kan men zelfs op korten termijn de jacht er op geheel sluiten, terwijl het nu ook betrekkelijk eenvoudig is om een diersoort, die eerst voor schadelijk werd aangezien, maar dit niet blijkt te zijn, of geheel uit de lijst der schadelijke dieren t3e schrappen of over te brengen naar een der categorieën van wild, waarop de jacht beperkt is.

Een zelfde regeling vinden wij nu ook terug bij de Dierenbeschermingsordonnantie. Ik moet hier om misverstand te voorkomen aan toevoegen, dat „dierenbescherming" hier niet de beteekenis heeft, die wij gewoonlijk hieraan hechten, namelijk bescherming tegen mishandeling van huisdieren en andere dieren, die wij in gevangenschap houden. De Indische Dierenbeschermingsordonnantie heeft uitsluitend op het oog de bescherming van in het wild levende dieren, en bij de herziening van deze ordonnantie, die thans in behandeling is, zal dan waarschijnlijk ook voorgesteld worden den naam te veranderen in Faunabeschermingsordonnantie.

Bij de bestaande Dierenbeschermingsordonnantie, die eveneens dateert van 1931, wordt in het algemeen bepaald, dat bepaalde diersoorten algeheel beschermd kunnen worden, dat andere dieren, hetzij in hun geheel, hetzij bepaalde lichaamsdeelen ervan, zooals huiden of veeren, niet uitgevoerd mogen worden, maar de bijbehoorende verordening geeft weer aan, welke diersoorten het zijn, die algeheele bescherming genieten, of waarvan b.v. de huiden of veeren niet uitgevoerd mogen worden. De lijst van diersoorten, die algeheel beschermd worden, waarop men dus onder geen omstandigheden mag jagen, waarvan men geen exemplaren mag dooden en ook niet in zijn bezit mag hebben, bevat thans ruim twintig soorten. Enkele hiervan wil ik hier noemen zooals de orang oetan, de bekende menschaap die