is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het lijkt ons derhalve niet gerechtvaardigd om de formules van Lacey klakkeloos, als ware het een eenvoudig mvulsommetje, op levende rivieren toe te passen. Wel kunnen zij echter aanduiden hoe de verhoudingen tusschen afvoer, stroomsnelheid en de maten van het dwars- en lengteprofiel, in elk geval qualitatief, zijn en helpen zij ons een juister beeld te vormen van de genese van de laaglandsrivieren. Wij gaan daarom in het onderstaande uit van het standpunt, dat het voor het evenwicht van een rivierbed noodzakelijk is, dat het dwarsprofiel voldoet aan de boven beschreven evenwichtsvoorwaarden, of wel dat het zich in die richting ontwikkelt.

Wij beschreven reeds (fig. 2a) op welke wijze Leighly (1934) zich voorstelt dat er in een rivier een voortdurend transport van bodemmateriaal plaats vindt van den bodem naar de oevers. Evenwicht in dit proces treedt in als voor de diepte voldaan is aan vergelijkingen van het type (1) en (6). Men houde er echter rekening mede, dat voor een kleiige bedding het verband tusschen korrelgrootte van het bodemmateriaal en evenwichtsdiepte niet is vastgelegd.

De bevochtigde omtrek en bij benadering dus ook de breedte hangen volgens formule (5) alleen af van den (hoogwater)afvoer en zijn onafhankelijk van f, dus van den aard van het bodemmateriaal. Men stelle zich nu voor, dat tijdens grooten afvoer een rivier het laagland overstroomt en een onbeperkt groot oppervlak onder water zet. Buiten de zone van de stabiele breedte, die door den waterafvoer wordt bepaald, is er echter geen evenwicht bestaanbaar tusschen aanslibbing en uitschuring. De stroomsnelheid en daarmee de turbulentie verminderen daar dusdanig snel, dat de rivier het meegevoerde sediment afzet en wel het meeste en het grofste materiaal het eerst, dus direct naast de bedding. Er vormen zich aan weerskanten oeverwallen, die het snelst aangroeien en het hoogste worden aan den rand van de bedding en naar buiten glooiend afloopen. Bij iedere overstrooming van ongeveer gelijke hoogte en gelijken waterafvoer worden op dezelfde plaatsen de oeverwallen opgehoogd tot aan het gemiddelde hoogwaterpeil en langzaam maar zeker wordt de rivier gedwongen zich tot haar stabiele bed te beperken, en wordt verdere overstrooming van de oevers belemmerd of verhinderd. Omgekeerd mag men dus bij het voorkomen van regelmatig doorloopende oevervallen benaderde stabiliteit van een rivier bij hoogwater aannemen. In de kustvlakten en bekkens, maar ook in breede verruimde dalen die opgevuld worden, is de oeverwal de meest algemeen verbreide sedimentatievorm. Zoo zijn de puinwaaiers aan de bekkenranden, zoowel als de delta's langs de kusten meerendeels gevormd door een onregelmatig netwerk van oeverwallen, die groote uitgestrektheden van bekkens en vlakten opvullen en ophoogen.

Typen van laaglandsrivieren

Nadat wij boven hebben nagegaan op welke wijze de rivier zich een stabiel dwarsprofiel schept, willen wij thans trachten een schets te geven van de typen van laaglandsrivieren, waarvan elk door een