is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kromme Mx—Gt of Mi—G2 stelt voor het gestabiliseerde lengteprofiel, langs de rivier gemeten bij overheerschende meandering in het bovenste gedeelte en delta splitsing nabij den mond. Ze is te vergelijken met de „erosie-terminante", die Philippson (1931) als einddoel voor de diepte-erosie heeft aangeduid. Voor sedimentatiegebieden, waar deze diepte-erosie van ondergeschikte beteekenis is, wordt deze kromme beter met den term aanpassing-terminante betiteld.

V erwildering

De meest algemeene aanpassing in sedimentatiegebieden is meandervorming in het bovengedeelte, splitsing bij de monding. Er zijn echter alternatieven, nl. splitsing in den bovenloop en — geheel onafhankelijk daarvan — meandervorming aan de kust. Beide verschijnselen zijn immers een gevolg van remming, van aanpassingen aan verminderend verhang of verminderende stroomsnelheid benedenstrooms.

De splitsing in den bovenloop geeft het reeds beschreven verwilderd

Qje

stroombeeld. Volgens Lacey (formule 9b) geldt —r- = constante.

Indien van de aanpassingsbasis af in stroomopwaartsche richting de terreinhelling vrij snel toeneemt en dus aanmerkelijk stijgt boven het evenwichtsverhang J, past de rivier zich aan door haar watermassa te verdeelen over een aantal takken (fig. 15b). Daardoor wordt de waterafvoer Q per waterader verminderd, zoodat in meerdere mate aan de evenwichtsvoorwaarde van bovenstaande formule wordt voldaan dan het geval zou zijn met den ongesplitsten stroom. Volledig evenwicht zal niet worden bereikt, want ten gevolge van het snel afnemend verhang zal steeds in de bedding puin bezinken en verhinderen, dat iedere tak haar evenwichtsdiepte verkrijgt. Wordt een tak te ondiep, dan wordt zij verlaten en zoekt het water andere wegen, vormt nieuwe beddingen. De bovengenoemde splitsing voert echter sneller tot aanpassing dan de meer geleidelijk werkende laterale erosie en meanderverlenging (vgl. fig. 15a en 15b).

Men treft de verwilderde rivieren aan bij plotselinge overgangen van een steilen bovenloop in het gebergte naar een vlakken benedenloop in het bekken of de kustvlakte, of wel — hetgeen voor waterrijke streken op hetzelfde neerkomt — bij groote puinsedimentatie. Alle rivieren b.v. die van het Sneeuwgebergte van Nieuw-Guinee komen, verwilderen zoodra zij de vlakte bereiken (foto 2, 3, 4). Ook bij plaatselijke abrupte hellingsverschillen, zooals bij breukranden, is verwildering algemeen.

Door de voortschrijdende sedimentatie in de verwilderende rivier, eventueel gepaard gaande aan verlaging van den bekkenrand of den breukrand door diepte-erosie, wordt op den duur de terreinhelling minder en de afneming van het verhang in stroomafwaartsche richting meer geleidelijk; er bezinkt minder puin en de rivier kan zich dan verder aanpassen door te gaan kronkelen, totdat het evenwicht van de aanpassing-terminante is bereikt.