is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steeds op gelijke wijze gedroegen. Hij vond voorbeelden dat uit dezelfde geologische formatie, nu eens constante, dan weer variabele bronnen ontsprongen en zelfs nog een tweetal voorbeelden van bronnen die vlak naast elkaar ontsprongen en toch sterk in karakter verschilden. Hij kwam dan ook tot de conclusie dat elke bron een afzonderlijk individu is en een eigen soort van afvoer vertoont.

Het is dus duidelijk dat twee stroomgebieden in dezelfde geologische formatie verschillen in den droogte-afvoer zullen kunnen vertoonen, al zullen die verschillen dan ook niet zoo groot zijn als tusschen twee stroomgebieden in verschillende geologische formaties. Om echter van de hier te behandelen Zwitsersche stroomgebiedjes Sperbelgraben en Rappengraben het karakter van den droogte-af,voer te kunnen bepalen, moet men eerst weten wanneer men met zuiveren grondwater-afvoer te doen heeft, dus hoeveel tijd na een regen de eventueel optredende oppervlakte-afvoer ophoudt. Empirische gegevens bestaan hier niet over. Klunzinger mat in de Wien-rivier de snelheden tijdens een hoogen afvoer en vond een gemiddelde snelheid van y/2 km per uur. Het grootere verhang bij de Zwitsersche stroomgebiedjes maakt een nog grootere snelheid waarschijnlijk, zoodat men voor den in de beken afgelegden weg van iooo a 1200 m als maximum kan rekenen op 10 minuten. Hierin is niet begrepen de tijd, die er noodig is om langs de berghellingen de beek te bereiken. Deze tijd is moeilijk te bepalen, wel zal men kunnen aannemen dat reeds vrij spoedig na den regen de oppervlakte-afvoer over de hellingen zal ophouden, omdat de infiltratie in den bodem door zal blijven gaan, ook na het ophouden van den regen. Schat men dezen tijd op 10 minuten dan zal dus 20 minuten na het ophouden van den regen alle oppervlaktewater den wortel van het stroomgebied zijn gepasseerd. Ook langs anderen weg komt men tot een tijd van dezelfde orde. Noemt men den tijd die er noodig is voor een druppel water om het stroomgebied over zijn grootste lengte te doorloopen T, en noemt men den regenduur t, dan zal men nu gemakkelijk kunnen inzien dat in een tijd t + T na het begin van een regen de oppervlakte-afvoer afgeloopen moet zijn. Bij aanname van een constanten afvoer-intensiteit van dit oppervlakte-water is het waarschijnlijk dat voor een willekeurig stroomgebied het afvoer-maximum ongeveer in het midden ligt, dus op een tijdsverloop van ]/2 (t + T) na het begin van den regen. Neemt men nu aan dat bij heftige stortbuien Rappengraben oppervlakte-afvoer vertoont, dan zal het afvoer-maximum dus verband houden met het tijdstip waarop de heftige regenval begon en eindigde. Uit deze gegevens kan men dan ten naaste bij den tijd T berekenen. Bij de heftige onweders varieerde dit voor Rappengraben tusschen 20 en 40 minuten. Het gaat hier niet om het juiste aantal minuten, doch slechts om een tijdsduur van een zekere orde. Men kan er nu vrij zeker van zijn, dat 40 minuten na het ophouden van een regen er geen oppervlakte-afvoer meer is en dat men dus van af dat tijd-