is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. De bijdragen van de provincie en het waterschap worden ge fixeerd op" resp. ƒ 160 en ƒ 80 per verkoop-ha. De bepaling van een vast bedrag voor het waterschap maakt den koop van grond aantrekkelijker. Dit lichaam was immers garant voor één zevende van het te lijden verlies en het waterschapsbestuur had indertijd besloten dit tekort te leggen op de aangemaakte gronden in den vorm van •een omslag. Deze omslag zou eerst in de verre toekomst bekend zijn.

2. Het Rijk verschaft aan de Ontginningsmaatschappij de benoodigde gelden tot voortzetting der ontginningswerken.

3. De bijdrage van het Rijk in de ontginningswerken wordt vastgesteld op 100 % van het arbeidsloon. Deze bijdrage was eerst, zooals we reeds zagen, slechts 35 a 40 °/c.

4. De gronden worden door de Ontginningsmaatschappij na de ontginningsperiode tegen boekwaarde in eigendom overgedragen aan het Rijk. Dit houdt in, dat de N.V. niet langer bemoeienis heeft met

de uitgifte van den grond.

5. De benoodigde boerderijen worden van Rijkswege gesticht. Hiermee hebben we naar we meenen zooveel van de geschiedenis

van de N.V. meegedeeld als noodig is voor een goed begrip van haar positie.

We zullen thans nagaan,

wat de gevolgen van het grondverlies voor de Gietersche boeren waren,

in hoeverre rekening is en wordt gehouden met hun belangen, •en ten slotte,

of het in cultuur brengen van het Land van Vollenhove voor deze boeren winst beteekent of zal beteekenen.

Het grondverlies veroorzaakte over het algemeen geen inkrimping van de boerenbedrijven. We zagen in den aanvang reeds dat ten Westen van het kanaal Steenwijk—Giethoorn zoo goed als geen weiland en weinig behoorlijk hooiland lag.

Van belang zou zijn na te gaan wat de boeren deden met de kooppenningen welke zij ontvingen voor den onteigenden grond. Nauwkeurige gegevens staan ons op dit punt niet ten dienste. Uit kaart 2 hlijkt dat slechts 60 ha werd verkocht aan streekbewoners. Dit gebied ligt bijna geheel in Polderafdeeling IV, maar we weten niet in hoeverre deze streekbewoners in de gemeente Giethoorn woonden, evenmin of het boeren waren die den grond kochten. Het is ons verder niet bekend of de boeren misschien op andere wijze dit geld in hun bedrijf productief wisten te maken. Was dit het geval, dan had men minder bezwaar tegen de lage prijzen van 36 kunnen maken, daai toen de koopkracht van het geld grooter was dan in 27. Het ging evenwel vaak maar om kleine bedragen en dan is het gevaar groot dat het geld wordt opgesoupeerd. Men weet van gevallen waarin de grond bezwaard eigendom was en de hypotheek moest worden afgelost, of andere waarin bij boedelscheiding het geld werd verdeeld. Ten slotte waren er boeren die net of niet genoeg ontvingen om de proceskosten te betalen. Tot een conclusie zijn we evenwel