is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook westelijk Zuidbeveland vertoont nog eenige remming tegen de algemeene daling. In 1929/32 is het beeld weer gewijzigd. Zeeland behoort nu tot de gebieden met het laagste geboortecijfer. Ook dat van oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen en westelijk Zuidbeveland is belangrijk teruggeloopen, al beweegt het zich in deze streken nog op een iets hooger niveau dan in de rest van Zeeland. Streken met opvallend laag geboortecijfer komen voor op Schouwen-Duiveland en westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen.

Ondanks het sterk dalende geboortecijfer heeft Zeeland tot heden, dank zij de afnemende sterfte, een geboorte-overschot. Wanneer men deze overschotten in perioden van 10 jaar groepeert, dan ziet men eerst een stijging tot 1900—09 en daarna een niet onbelangrijke daling: 1880—'89 2939 1910—'19 2957

1890—'99 3353 1920—'29 2923

1900—'09 3470 1930—'39 2206

Zeeland is een bij uitstek agrarische provincie; de enkele industriecentra van eenige beteekenis zijn Vlissingen en het industriegebied langs het kanaal van Sas-van-Gent naar Terneuzen. De gemeenten met een overwegend stedelijke bevolking omvatten dan ook slechts 40 % der totale bevolking. Toch is het typeerend, dat deze gemeenten in de periode 1880—1930 het meerendeel van het bevolkingsaccres van Zeeland tot zich hebben getrokken. Terwijl in de gemeenten met plattelandsbevolking het aantal inwoners in deze periode toenam van 121 494 tot 147474, dus met 21 %, groeide dit aantal in de andere gemeenten aan met 33 000 of 49 %.

Twee factoren hebben samengewerkt om de Zeeuwsche bevolking op nagenoeg constante^ grootte te houden, nl. de steeds dalende geboorte en de emigratie. Het vertrekoverschot uit Zeeland bedroeg in de periode 1880—1930 niet minder dan ruim 106000 personen! Van hoe groote beteekenis deze ontlasting van den bevolkingsdruk is, blijkt wel, wanneer men bedenkt, dat de totale bevolking van Zeeland thans ruim 250000 bedraagt. In deze periode van 50 jaar vertoont ieder jaar een vertrekoverschot; dit overschot schommelt belangrijk onder invloed van de economische omstandigheden. Men zou verwachten, dat met het afnemende geboorte-overschot de emigratie zou verminderen. Dit is echter niet geschied; vooral in de twintiger jaren was de emigratie zeer groot; in de jaren 1927—'29 trokken er uit Zeeland 9286 personen meer weg dan er zich vestigden.

Over de oorzaken van de geboortedaling in Zeeland kan hier niet uitvoerig gesproken worden; deze komen voort uit de bijzondere mentaliteit van de Zeeuwsche bevolkingsgroep. Een uitvoerige uiteenzetting van het Zeeuwsche volkskarakter zou dus aan een behandeling van dit onderwerp moeten voorafgaan. In zijn studie over onze volkskracht en den landbouw, in het bijzonder ten aanzien van Zuidbeveland, heeft Prof. van Vuuren met enkele forsche lijnen het bevolkingsvraagstuk, speciaal ten opzichte van Zeeland geschetst 9). De geboorte-

9) De Zeeuwsche Polder, Aug. 1930.