is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Om te beginnen kunnen eenige bestaande gevallen van maskeering door boomen of struiken worden genoemd: een leelijk spoorwegemplacement in Vlaardingen, een ammunitiefabriek ten Noordwesten van Delft, een kalkzandsteenfabriek in Naarden, het terrein der waterleidingbassins in Rotterdam-Oost, de goud- en zilverfabriek in Voorschoten, de eendenfokkerijen ten Oosten van Harderwijk, het emplacement der dagelijks vertrekkende vuilnistreinen nabij Den Haag en enkele watertorens als die ten Zuidwesten van het station Zoetermeer.

In verreweg de meeste gevallen is echter tot nu toe niets gedaan om storende elementen in het landschap te verdoezelen. Zelfs in onze schoonste streken, als de Veluwe en het oostelijk deel van Utrecht, ziet men vele fabrieken, hoenderparken en stapelplaatsen van steenen en bouwmaterialen, alsmede grintgraverijen, die zonder eenige maskeerende beplanting (omplanting) bleven en even zoovele groote smetten op het landschap vormen. In Oosterbeek ontsiert een gashouder dit mooie dorp, voor Leidschendam en Voorburg geldt hetzelfde en in Haarlem heeft de opvallend groote leelijke gashouder van 50 m hoogte zelfs den naam „Stadslillekert" ontvangen. Het probleem is in dorpen waar de gashouders 15 a 20 m hoog zijn gemakkelijker op te lossen dan in steden, waar zij dikwijls 30 a 40 m bereiken.

Onze polderlanden, met name de meest bezochte nabij de groote steden in Zuidholland, vertoonen gaandeweg overal kasbedrijven (waaronder wij ook de koude cultures onder dicht boven den grond opgestelde ruiten verstaan) en volkstuintjes met vele kleine houten huisjes. Iedereen geeft toe, dat zij het weide- en akkerlandschap sterk ontsieren.

Wat de kassen aangaat, heeft men deze zelfs toegelaten op de prachtige weilanden, die van oudsher het hooge geboomte van het landgoed Ockenburgh in Doosduinen aan de ZOzijde omzoomden. Die langs den ZOrand van het landgoed Duindigt ten Noorden van Den Haag bleven gespaard en doen ons begrijpen, hoe mooi Ockenburgh eens geweest is. Ook kan men waarnemen dat volkstuintjes en kassen het steeds mooier wordende gezicht van den Leyweg bezuiden Den Haag op het reeds hooge geboomte van het Zuiderpark nabij Den Haag verstoren. Er zijn thans in Zuidholland bewesten de lijn LeidenLeidschendam-Bleijswijk-Krimpen nog slechts enkele gebieden van meer dan een uur gaans lang en breed aan te wijzen, waar de tuinbouw onder glas ontbreekt en de oude luister van het polderland nog ongeschonden bewaard bleef, b.v. in den Alblasserwaard en den Krimpenerwaard. Men komt in deze prachtige dreven wel heel sterk tot het besef van het groote gemis aan schoonheid in het dagelijksch leven van diegenen, die moeten wonen in het Westland en dergelijke streken.

Naar het mij voorkomt is dit kwaad niet meer door omplanten der kassen te keeren, al komt men een enkele maal wel eens gevallen tegen, waarbij deze van den openbaren weg af nauwelijks zichtbaar zijn ten gevolge van een randbeplanting. Als voorbeeld noem ik den weg van het verkeersplein bij Westerlee nabij Naaldwijk naar de