is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afmetingen zou dit eerst op 9 km hoogte kunnen gebeuren, terwijl de condensatiekernen reeds in de eerste paar km werken. Maar wanneer, zooals men verwachten moet, de electrische kernen een huid van water om zich verzameld hebben, kunnen ze reeds bij 5 km beginnen te werken.

Schrijver dezes heeft reeds naar aanleiding van het onweer van 3 September 1929 vermoed en in 1939 uitgesproken 4), dat sommige hooge onweders in verband zouden staan met condensatie op ionen, wat een tijd lang alle meteorologen uitgesloten achtten; ook liet verband tusschen zonnevlekken en halos, dat hij in 1909 ^oor ons land heeft aangetoond en dat later door Visser en Archenhold uitvoeriger is behandeld, wijst, zooals ook Krastanow opmerkt, wel in deze richting.

Het is dus niet dwingend noodzakelijk, aparte sublimatiekernen aan te nemen; bij de opstijging zullen de grootere kernen eerst condensatie in druppelvorm veroorzaken, de overblijvende worden steeds kleiner en geconcentreerder voor zoover het zoutoplossingen zijn. Spontane ijsvorming uit damp is niet onmogelijk, maar zou eerst bij —6o° en bij groote oververzadiging aan de beurt komen. Wij kunnen bij deze zeer ingewikkelde vraagstukken niet langer stilstaan, er zal ongetwijfeld nog wel meer over gestreden worden.

O n w e e r s e 1 e c t r i c i t e i t

In de laatste jaren waren het vooral de theorieën van Wilson en Simpson, die ter verklaring van de onweerselectriciteit werden toegepast. Wilson denkt aan inductie op waterdruppels in het steeds aanwezige aardveld, waardoor de vallende druppels vooral negatieve electronen zouden opvangen, zoodat de zware regen negatief, de bovenkant van de wolk positief geladen zou zijn. Simpson gaat uit van de door hem en Lenard waargenomen „watervalelectriciteit": bij het breken van groote druppels — wat aan de onderzijde van de wolk moet voorkomen omdat druppels grooter dan 5 mm middellijn (in geladen toestand 3 mm) onstabiel zijn — worden de groote fragmenten positief, de verstoven fijne druppels negatief geladen, en dus zou, als dit het eenige effect was, de onderkant der wolk positief en de bovenkant negatief zijn. Deze controverse is later door Simpson en Scrase in zoover opgelost dat de bovenkant in den regel positief is, maar de positieve concentratie aan de onderzijde ook voorkomt. In de bovenaangehaalde voordracht hebben wij als onze meening uitgesproken, dat beide effecten waarschijnlijk gelijktijdig of afwisselend werkzaam zijn. In ieder geval bleek de ladingsverdeeling in de wolk zóó ingewikkeld, dat er wel plaats is voor andere vormingswijzen.

Hiervan is het voorkomen nu in de laatste jaren ongetwijfeld aangetoond. Reeds in 1933 vond Ross Gunn een zwakke lading op ijs dat zich uit damp op een sterk afgekoeld voorwerp neersloeg.

4) Jaarboek der Kon. Ned. Akademie van Wetenschappen 1938—39, pag. 178.