is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het feit dat de rivierbodem uit beweeglijk materiaal bestaat. Hierdoor verkrijgt de bodem van rivierbochten een dwarshelling, ten gevolge waarvan de verdeeling van de stroomsnelheid belangrijke wijzigingen ondergaat. Hoewel het berekenen van de strooming in rivierbochten dus op waarschijnlijk onoverkomelijke moeilijkheden stuit, toch is het wel mogelijk met behulp van theoretische beschouwingen zich daarvan' een voorstelling te maken, die dan aan de hand van modellen en waarnemingen in de natuur nader moet worden getoetst.

In een zeer lezenswaardig geschrift heeft de Amerikaansche geograaf Leighly (1932) eenige beschouwingswijzen van de hydraulica o.a. over de turbulentie, toegepast op de morfologie van de rivieren. Zijn betoog over strooming in rivierbochten en de vormveranderingen die die bochten daarbij ondergaan, laten wij hier volgen.

Evenals een wielrenner bij het nemen van een bocht naar de binnenzijde toe neigt om niet uit de baan te worden geslingerd, zoo helt de waterspiegel in rivierbochten binnenwaarts en is het waterpeil aan den buitensten oever dus hooger dan aan den binnenoever. Dit divarsverhang levert de kracht, welke de waterdeeltjes van hun rechte baan doet afwijken en dwingt de bocht te volgen. Om waterdeeltjes bij een snelheid v een bocht met straal R te doen doorloopen is noodig een verhang J

J g.R

Om den invloed van het dwarsverhang op de stroomverdeeling volgens Leighly's theorie weer te geven, kiezen wij als voorbeeld een enkelvoudige rivierbocht, schematisch geteekend in fig. 1. Wij verdeden deze door twee assen AA' en BB' in de quadranten I t/m IV, waarvan de as AA' de beide oevers snijdt op de plaats van de sterkste kromming, zoodat hierdoor het riviergedeelte met toenemende kromming ( = afnemenden kromtestraal) wordt gescheiden van dat met afnemende kromming (= toenemenden kromtestraal). De andere as BB' wordt voorgesteld door de aslijn van den stroom. De quadranten zijn als volgt genummerd:

I bovenstroomsche buitenbocht,

II benedenstroomsche buitenbocht,

III benedenstroomsche binnenbocht,

IV bovenstroomsche binnenbocht.

Aangezien in het bovenstroomsche gedeelte (de quadranten I en IV) de kromtestraal R voortdurend korter wordt, een minimum bereikt in de as AA' en daarna in het benedenstroomsche gedeelte (quadranten II en III) weer grooter wordt, neemt volgens bovenstaande vergelijking het dwarsverhang in I en IV toe, bereikt een maximum in de as AA' en neemt in II en III weer af. In de buitenbocht veroorzaakt dit dwarsverhang een verhooging van het waterniveau, welke verhooging dus toeneemt tot de as AA' en afneemt voorbij die as; bijgevolg vertoont de rivier in de buitenbocht een tot de as AA' afnemend en daarna toenemend verhang, tot in het rechte