is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlaktelaag van het water beweegt zich inderdaad naar den concaven oever toe en duikt langs dien oever naar beneden. Dat er nu ook een continue tegenstroom langs den bodem naar de binnenbocht zou bestaan blijkt niet uit de waargenomen kleurbanen, want deze loopen vrijwel evenwijdig aan de oevers. Wel is het transport langs den bodem zeer duidelijk naar binnen gericht, zoodat op ongeveer il/2 maal de rivierbreedte voorbij de sterkste kromming de haverkorrels zich ophoopen. Op grond van dit resultaat betwijfelen Vogel en Thompson het bestaan van een spiraalstrooming in een rivierbocht. Het transport van het bodemmateriaal verklaren zij uit de verdeeling van de turbulentie in asymmetrische rivieren, zooals Leighly die aangaf. Zij overwegen echter niet, dat de turbulentie van een stroom geheel afhankelijk is van de verdeeling van de stroomsnelheid en niet als zelfstandige oorzaak van het sedimenttransport in bepaalde richting kan gelden.

De meest waarschijnlijke verklaring van de resultaten \an vogel en Thompson is de volgende. De compenseerende, naar de binnenbocht gerichte dwarsstrooming treedt vermoedelijk zeer dicht langs den bodem op, daar waar de stroomsnelheid aanmerkelijk is geremd (zie fig. 2).* Daarentegen volgt het kleursel niet den werkehjken bodemstroom maar wordt opgenomen in hoogere waterlagen die in grootte en richting van haar strooming niet aanmerkelijk van de gemiddelde waarde afwijken. Door de wrijving langs den onregelmatigen ondergrond uit zich de onderstroom niet als een binnenwaarts gerichte continue beweging, maar in reeksen van onregelmatige turbulente pulsaties, waarvan echter de hoofdcomponenten dwars op den hoofdstroom zijn gericht.

Dergelijke verschijnselen waren zeer fraai te observeeren aan een model van een rivierbocht in het Waterloopkundig Laboratorium te Delft (foto 1). Bij deze proeven werd de rivierbodem met los fijn gruis bedekt, dat door het stroomende water in ribbels dwars op de hoofdstroomrichting wordt gelegd (op de foto bij a alt b bx c—Ci). In de zone van maximale bodemhelling stroomafwaarts van de sterkste bocht zijn in de dalen tusschen de hoogste ribbels fraaie wervels te vervolgen, die het bodemmateriaal dwars op de rivier in de richting van de binnenbocht stuwen en daarbij zelf ribbels vormen die, zooals steeds, dwars op den stroom ter plaatse staan, maar hier dus ongeveer in de lengterichting van de rivier liggen (op de foto bij d, dx en d2). Bij iedere turbulentiestoot ziet men hoe de korrels dwars de rivier over worden gestuwd en zich ophoopen aan den convexen oever, geheel als de haverkorrels bij het model van de Mississippi. Dergelijke turbulente bodemstroomingen die vrijwel dwars de rivier oversteken, zijn bij mijn weten nog nooit in de natuur geobserveerd of gemeten, mede omdat het meten van strooming en transport vlak bij den bodem op technische moeilijkheden stuit. Dat de buitenwaarts gerichte bovenstroom in de natuur door dergelijke dwarsstroomingen wordt gecompenseerd is echter niet onwaarschijnlijk.