is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

legen gedeelten als door stroomend water wordt aangetast en daardoor spoedig versneden. Bovendien wordt het alleronderste deel van de oorspronkelijke helling voortdurend kleiner doordat zich hier een beschermende laag puin vormt.

Resumeerend concludeert hij :

1. De vereffening van de lengteprofielen gaat veel vlugger dan de interfluviale denudatie.

2. Na verjonging wordt het oude oppervlak snel intens versneden door een net van dalen, die zich in de oude breede dalbodems hebben ingesneden.

3- De schouders, die den knik in de dalhellingen vormen, worden bijzonder sterk aangetast en neigen er toe snel te verdwijnen 13).

In een noot (pag. 1713) merkt Rich ten slotte nog op, dat hij welde mogelijkheid ziet dat een vereffende groote rivier zijn dal door laterale erosie verwijdt, zich opnieuw insnijdt en dan opnieuw lateraal erodeert en dat zoodoende een trapsgewijze opeenvolging van erosieoppervlakten ontstaat. Dit is dus het wezenlijke van Sölch's voorstelling van de schiervlakten-trap (vgl. Bakker, l.c. 2, pag. 320).

Alvorens in te gaan op enkele van Rich's bezwaren, verdient nog vermelding, hoe hij zich het ontstaan van verschillende duidelijke trapsgewijs gerangschikte vlaktenstelsels voorstelt. In de eerste plaats doet hij een beroep op abrasie, vooral voor Nieuw-Engeland, anderzijds denkt hij aan het weer blootleggen van onder ariede omstandigheden met verweeringspuin bedekte erosie-oppervlakten. Dit laatste speciaal met het oog op de Front Range (Colorado), waar Van Tuyl en Lovering (loc. cit. 9) een groot aantal cycli meenen te moeten aannemen, terwijl hij met een enkel laat-miopliocene schiervlakte uitkomt14).

Het is hier natuurlijk niet de plaats op de mogelijkheid van alternatieve theorieën, die in bepaalde gebieden zouden kunnen gelden, in te gaan. Hoe staat het echter met de bezwaren van algemeenen aard ? Voorzoover deze zich richten tegen de door W. Penck aangenomen wijze van helling-ontwikkeling en met name tegen de door hem geimpliceerde relatieve snelheid van deze processen, kan men vaststellen, dat Rich s argumenten in hoofdzaak overeenkomen met die, welke reeds van andere zijden werden geopperd 1®).

Toch mag nog wel worden opgemerkt dat Rich een belangrijk punt over het hoofd ziet. Penck ontwikkelt zijn conceptie immers binnen het raam van zijn voorstelling van de „aufsteigende" ontwikkeling.

13) In dezen samenhang haalt Rich het voorbeeld aan van een weginsnijding als tenminste de zode geen resistente toplaag vormt.

14) Dit alles in aansluiting met het werk van Lawson, A. C., Epigene profiles of the Desert (Univ. Cal. Publ. Geol, Dept., Buil. gt pag. 25—48). Deze stelt zich voor, dat in deze „bolson"-achtige gebieden, de steeds aangroeiende puinmassa s geleidelijk de laagste erosie-oppervlakten bedekken. Deze worden dan in een later stadium weer blootgelegd.

I.S) cf. Bakker, Morphologische Untersuchungen im Zentralen und Nordostlichen Morvan. (Zeitschr. d. Ges. f. Erdk., Berlijn 1937, pag. 91—95 en de aldaar geciteerde literatuur, pag. 130—132).