is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17e eeuwsche landkaarten ter plaatse van het Tsjaadmeer het Borno Lacus vindt, met de Tsjari als toevoer; de positie is vrij goed. Doch ten Noorden hiervan is ook een waterstelsel ingeteekend: de Chelonides Paludes en de Nuba Palus met de Giras als westelijken aanvoerstroom. Deze plaatsen komen ongeveer overeen met de inzinkingen van Toro, Egeï en Bodele.

Op de 18e eeuwsche kaarten treft men nog slechts het Borno Lacus aan en dan in veel kleiner omvang. De waarde van deze kaarten is natuurlijk betrekkelijk, doch deze zijn niet geheel te verwerpen, daar de intense slavenhandel van Bornou met Tripolis van oudsher een geregeld contact met dit gebied onderhield.

De eerste Europeesche reizigers Denham en Clapperton in 1823 en, na hen, Barth in 1852 en Nachtigal in 1871 zagen allen een uitgestrekt vrij meer, een open watervlakte van ongeveer 25 000 km2, hoewel hun ook mededeeling werd gedaan van sterk gekrompen omvang. Nachtigal vernam dat de Bahr el Ghasal kort geleden nog over een afstand van 100 km met water gevuld was. Ook in 1893 had het meer nog een groote uitgestrektheid. Men constateerde gedurende de 19e eeuw weliswaar groote wisselingen in den omvang van het meer, doch kon toch zeker niet van een duidelijke, langzame afneming spreken. Toen men, na de Fransche bezetting van 1901, tot geregelder waarneming kwam, constateerde men juist in die jaren een sterken teruggang. De expeditie van Lenfant in 1903, welke het gelukt was de waterverbinding tusschen den Atlantischen Oceaan en het Tsjaad-meer te bevaren, had in Europa sterk de aandacht getrokken. Lenfant had in dat jaar een sterke inkrimping van het meer gevonden; deze zette zich ook in de volgende jaren voort en men oordeelde nu, dat naast andere oorzaken ook een opschuiving van het ariede klimaat naar het Zuiden den omvang van het meer beïnvloedde.

Latere waarnemingen wijzen er echter op dat men voorzichtig moet zijn met een oordeel betreffende recente klimaatsverslechtering en dat er veeleer variaties zijn.

De Fransche litteratuur heeft de verschillende wisselingen van het meer als volgt gegroepeerd:

Grand Tchad = de stand volgens verschillende waarnemingen in de 19e eeuw. De uitgestrektheid bij hoogwater bedraagt ongeveer 25 000 km2, en de gemidelde meerdiepte ongeveer 4 m. Er is een open meer, waarbij het water doordringt tot tusschen de woonhutten van het vlek Nguigmi aan de noordwestzijde van het meer.

Moyen Tchad = een meeroppervlakte van 15000 km2, doch met veel moerassen en poelen en een zeer gekrompen open water, dat nauwelijks tot Nguigmi doordringt.

Petit Tchad = bij een oppervlak van 10000 km2 is het vrije watervlak nauwelijks meer te bespeuren. Enorme plantengroei in het lage water, dat op de diepste punten slechts 1,50 m hoog staat. Nguigmi ligt wel 20 km landinwaarts.

In het eerste decennium van deze eeuw kromp het meer in tot dit