is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is op het oogenblik nog moeilijk, voor deze kwestie een oplossing te geven. Voorloopig lijkt het alsof de Midden-Neckar de ruïne is van een naar het Noorden gerichte rivier, die de erosiebasis vormde van een subsequente riviervorming, den Boven-Neckar. Want het is natuurlijk onmogelijk zich de ontwikkeling voor te stellen van een Neckar, die aan den rand van de Bovenrijnsche laagvlakte ontstond als een hellingriviertje dat door achterwaartsche erosie zich tot den tegenwoordigen rivieroorsprong „voortplantte". Vooral wanneer men aanneemt dat de Neckar, op soortgelijke wijze als hij de Eschach heeft afgetapt, later ook de Brigach zal aftappen. De Neckar is trouwens aan zijn oorsprong alles behalve een veroveraar; hij ontstaat in een veen, en heeft nagenoeg geen verval. Hij lijkt meer op een rivier die berooving ondergaat of ondergaan heeft, dan op een rivier, waarvan nog veroveringen, d.w.z. beroovingen ten koste van den Donau, zijn te verwachten.

En toch moet dit eens mogelijk zijn geweest, want de Eschach is aan het Donaugebied ontvreemd, en de Prim is „omgekeerd". Wij kunnen dit alleen begrijpen, wanneer wij ons voorstellen dat, van den ouden naar het Noorden gerichten Neckar-loop uit, zich ten gevolge van een krachtig oprijzen van het geheele gebied (niet van den Jura afzonderlijk) een subsequente laagte vormde, in de richting van het tegenwoordige dalvak Plochingen-Horgen.

Tegelijkertijd werd de Neckar van den Rijn uit aangetapt ■— het Odenwald lag toen nog op het niveau van de erosiebasis —, de Bovenrijnsche Laagvlakte ging door met dalen, waaraan de Neckar vermeerderde erosiekracht ontleende, zoodat de subsequente laagte van Plochingen-Horgen door den Beneden-Neckar inderdaad werd geannexeerd. De Eschach vond gelegenheid zich in de gestadig zich naar het Zuiden uitbreidende laagte als het ware neer te storten, en het dal van den Boven-Neckar werd uitgeslepen, zoodat ook in de lijn van de Prim de van het Noordwesten uit gestimuleerde erosiekracht zich deed gevoelen.

Het is zeker gewenscht ter staving van deze opvatting een vroegeren, nu hoog gelegen dalbodem — zij het ook in fragmenten ■—• aan te wijzen, die de laatste stroombaan of dalweg van de EschachPrim-Faulenbach vóór de afleiding naar den Neckar kan zijn geweest.

K. C. Berz heeft op grond van de samenstelling der grindafzettingen in het Eschach-, het Neckar- en het Primgebied de conclusie getrokken dat de afleiding — hij zegt aftapping — door den Neckar plaats had toen de Eschach-Prim-Faulenbach bij Hausen en Rottweil op een niveau lag dat we tegenwoordig op 665 m aantreffen, dus ca. 100 m boven den tegenwoordigen dalbodem van den Neckar. Ook den aard en de wijze van het proces der aftapping duidt hij aan: De Neckar is door het terugschrijden van zijn bronrivieren en een daarmede overeenkomend achteruitwijken van de waterscheiding tot de afleidingsknie doorgedrongen.

G. Wagner critiseert deze eenvoudige ontwikkeling en brengt