is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuurlijk geen Donau-„randrivier", dan zou geen Neckar bestaan, maar de Stuttgarter Neckar zou in de richting naar den Donau, de Heilbronner Neckar door de „Mulde" in westelijke richting naar ■den Rijn stroomen enz..

De structuurkaart bevestigt dus alleen de juistheid van de reeds lang van morfologische zijde gededuceerde opvatting van het „atectonische" ontstaan der hydrografie van Zuidwest-Duitschland, a-tectonisch bedoeld als onafhankelijk van de in het tegenwoordige groote reliëf uitgedrukte tectoniek, dus van het epigenetische karakter der hydrografie. Ook de opvatting dat een groote schiervlakte aan het tegenwoordige reliëf voorafging, wordt, niettegenstaande ■de min of meer felle en hevige verontwaardiging suggereerende bestrijding door geologen en geografen, in zekeren zin weer in eere hersteld; want of het reliëf min of meer heuvelachtig was dan wel inderdaad een schiervlakte, is van minder belang dan de vraag of de tegenwoordige gebergten vroeger al dan niet tot een laag gelegen vlakland behoorden. De zeer gelukkig gekozen term van W. Penck: „aufsteigende Entwicklung" zegt alles. Zonder „aufsteigende Entwicklung" was de doorbraak van den Neckar door het Odenwaldschild niet mogelijk. Welk ander argument wordt nog verëischt om „aufsteigende Entwicklung", dus verandering van laag gelegen land in gebergte plausibel te maken?

De structuurkaart heeft ons dus ook niets gezegd over aanleg en ontwikkeling der rivieren. Maar misschien is een andere tak der geologie, nl. de sedimentgeologie, in staat ons zekerheid omtrent deze kwestie te geven. Wij beschikken over geologische kaarten, die „oud kwartsgrind" en vooral „oud Donaugrind" in hun verspreiding of conserveering weergeven, en die er voor gebruikt worden om vroegere rivierrichtingen en -niveau's vast te leggen.

Hierbij gaat men van de tegenwoordige rivierdalen uit en tracht hun ontwikkeling zoo mogelijk uit de opeenvolging en samenstelling der vroegere afzettingen af te leiden.

W. Dietrich heeft de „oudste Donauschotter" van Immendingen tot Ulm gekaarteerd en J. Schad heeft dit werk van Tuttlingen tot Scheer bij Sigmaringen nog eens overgedaan. Beiden hebben m.i. echter niet de terrassen, doch de afzettingen gekaarteerd; ook de verschillende erosie-stadia, die Schad aangeeft, geven m.i. grindniveau's en niet dalbodems aan. Overigens zijn beiden het er over eens dat het kwartsgrind, de oudste Donau dus, plioceen en wel onder-plioceen was. Volgens Schad heeft het insnijden van den Donau in het Jura-plateau gedurende het Plioceen plaats gehad, en wel bijna tot op het huidige dalniveau; ook de lagere „terrassen" II tot V zijn volgens hem pliocene dalbodems.

Het kwartsgrind en eveneens de er samen mee voorkomende kwartsiet-rolsteenen zijn afkomstig uit het Bontzandsteen-conglomeraat der Zwarte-Woudhelling, en aangezien deze rolsteenafzettingen de insnijding van het Donau-dal — zij het ook als een breede zone —