is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot 272 millioen ton in 1938, terwijl voor 1940 een opbrengst van ongeveer 300 millioen ton wordt aangenomen. In de rij van aardolie voortbrengende landen komt in de laatste jaren vooral het Noorden van Zuid-Amerika naar voren, waar Venezuela, Columbia, Ecuador en Peru in de jaren 1925—1929 7,8 % van de wereldproductie leverden, terwijl dit cijfer in 1937 reeds tot 12,1 % was gestegen. Ook de voortbrenging van ZW-Azië vertoont een opmerkelijken groei. Het gezamenlijke aandeel van de drie belangrijkste olieproducenten van dit gebied, Iran, Irak en de Bahrein Eilanden is van 3 % in 1925 toegenomen tot 6 % in 1938. Dit percentage komt in een ander licht te staan wanneer men bedenkt dat de werelduitvoer van geraffineerde olieproducten slechts 80 millioen ton per jaar bedraagt. Van dit bedrag kwam in 1938 18 % voor rekening van bovengenoemde landen van het Voor-Aziatische blok.

De olievelden van Iran behooren tot de belangrijkste ter wereld. De exploitatie dateert in dit gebied van 1911. Begonnen in het Zuidwesten van het land in de provincie Khosistan bij de grens van Irak zijn de ontginningen in zuidoostelijke richting uitgebreid en thans worden de boortorens in de kuststreek langs de Perzische Golf tot het eiland Tawilah in de Straat van Ormoes aangetroffen. De grootste productie wordt geleverd door het veld van Masjid-i-Souleiman, waar bij Meidan-i-Naftoen een boring voorkomt die een elders ongekende hoeveelheid van 1 millioen ton per jaar voortbrengt. De jaarlijks'che productie van Iran is van 43 770 ton in 1911 toegenomen tot 10440000 ton in 1939. In 28 jaar heeft het land in totaal 117 millioen ton ruwe aardolie voortgebracht. Volgens schattingen in 1938 verricht worden de onderzochte oliereserves in Iran op 280 millioen ton geraamd. Het is echter zeer goed mogelijk dat de belangrijkste aardolievoorraden in den Iraneeschen bodem buiten de provincie Khosistan in nog slechts weinig of in het geheel niet onderzochte gebieden voorkomen. Men heeft hierbij vooral het oog op het Noordoosten van Iran waar in de provincie Khorassan de oliehoudende lagen van Bakoe en van het ten Oosten van de Kaspische Zee gelegen mijnbouwcentrum Nebit-Dagh (zie dit Tijdschrift 1941, pag. 111) zich schijnen voort te zetten.

De olieproductie in Iran is geheel in handen van de machtige Engelsche trust de Anglo Iranian Oil Company, welke maatschappij beheerscht wordt door de Britsche Admiraliteit en die in het bezit is van een concessie tot ontginning, verleend door de Iraneesche regeering. De uitvoer geschiedt voor 9/10 via Abadan, waar zich de grootste raffinaderij der aarde bevindt, welke een vermogen van 10 millioen ton per jaar heeft. De export richt zich voornamelijk naar de verschillende deelen van het Britsche Rijk, die wèl een aanzienlijk verbruik van olieproducten, doch zelf slechts een geringe opbrengst er van vertoonen.

In Irak zijn de velden van Mosoel pas sedert 1927 in exploitatie. Reeds de eerste boring, verricht te Baba Gourgour in het tot het Mosoelgebied behoorende Kerkoekveld, bracht den enormen rijkdom