is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 1, 1867, 01-01-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne geschriften terstond tal van koopers en lezers te verschaffen. Er behoorde dan niet weinig moed toe twee tamelijk lijvige boekdeelen over een onderwerp te schrijven, dat zóó geheel buiten de sfeer ligt, waarin zich het meerendeel onzer tegenwoordige theologen en dilettant-theologen met genoegen, wij hopen ook met vrucht, schijnt te bewegen. Johannes Stinstka en zijn tijd — wie heeft geduld genoeg om eene uitvoerige levensgeschiedenis van dien man te lezen, en wie heeft thans een geopend oor voor de stemmen, de klachten, de twisten en de strijdvragen der 18de eeuw, welke zooveel van die uit onze dagen verschillen ? Hoe weinig belangstelling het vond, blijkt reeds uit het feit, dat tot nog toe geen aankondiging of recensie van dat boek in een onzer tijdschriften geplaatst is, die er anders tamelijk vlug mede zijn, en liet nog niet bespraken is geworden, tenzij door Prof. van Vloten in de Levensbode (1); hij treedt echter alleen in eene beoordeeling van de zuiverheid der Hollandsche taal in het werk gebruikt, waarover straks nader, 't Is dan ook geen werk bestemd om grooten opgang te maken.

Wat hij aantrekkelijks voor anderen mist, heeft deze arbeid echter voor ieder die tot ons Kerkgenootschap behoort, — de hoofdfiguur waarom alles gegroepeerd wordt, de naam op den titel is die van een Doopsgezinde. Hij is onder ons nog niet vergeten. Wij verheugen ons over de verschijning van dit boek. Wordt

(1) Deel II All. 1 bl. 35—14.