is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 1, 1867, 01-01-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeu groot deel der theologische literatuur uit die dageu ouder de oogen kregen.

Doch iu welk verband staat dit alles uu met den hoofdpersoon van het boek, hoe is deze uitweiding, die meer dan de helft van het eerste deel inneemt, gemotiveerd P Het geschiedt op eene wijze, die in staat zou zijn ons een woord van spot op de lippen te leggen, indien wij niet met een ernstig wetenschappelijk boek te doen hadden. Nadat de Schrijver kortelijk over het lager en middelbaar onderwijs gesproken heeft naar aanleiding van de schooljaren van Stinstra , en ook het een en ander medegedeeld over de wijze van opleiding tot het predikambt bij de Doopsgezinden, volgt een tweede hoofdstuk met het opschrift: wat de Nederlandsche Academiesteden voor Stinstra's ontwikkeling bezaten. Deze bezoekt de hoogeschool te iraneker. Van den gang zijner studiën, van zijn leven aldaar is ons niets bekend. Doch de Heer Sepp weet dit gemis te vergoeden, en het onbekende aantevullen met de schets der Academie zelve, gelijk zij in de dagen van Stinstra's jongelingschap moet geweest zijn. Hierop is niets aan te merken; die uitweiding is voldoende gemotiveerd, wij weten nu, welk ouderwijs hij genoot; zijn later leven zegt ons genoeg, hoe hij er gebruik van gemaakt heeft, Maar de andere Academiën P Wat hebben zij met Stinstra's opleiding te maken? Niets zouden wij zeggen, want hij heeft ze niet bezocht. Neen — maar hij had ze kunnen bezoeken. En waarom deed hij het niet? Omdat, zoo lezen wij, Fraueker destijds de meest bloeiende Hooge-