is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 1, 1867, 01-01-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaatse en in dezen past ons het oordeel niet. Evenmin als over doop en eed doet zich de Heer Sepp over de andere eigenaardigheden onzer broederschap, hare vrijheid in geloofszaken, kenbaar aan het ontbreken van alle formulieren, aan hare verwerping van al wat naar eene uitstaande belijdenis ook maar zweemt, wat mij vooral in haar aantrekt, met bepaalde ingenomenheid hooren. Hieraan herkent men dus den Doopsgezinde bij hem niet; maar wel waar hij b. v. de autonomie der gemeenten verdedigt of in de zorg door hem besteed aan een naauwkeurige en zeer gedetailleerde beschrijving van alles, wat met de geschiedenis onzer broederschap in verband staat, of ook in de buitengewone kennis van Doopsgezinde toestanden en richtingen, die hij ten toon spreidt.

Van die zorgvuldige behandeling wensch ik nu in een volgend no. van dit jaarboekje een overtuigend bewijs te geven door een kort verslag van hetgeen de Heer Sepp ons van Johannes Stinstra en enkele Doopsgezinde broeders of gemeenten uit de vorige eeuw heeft medegedeeld. Daaruit zal blijken, welk eene verplichting wij Doopsgezinden aan den Schrijver hebben, en hoe verdienstelijk hij zich omtrent onze geschiedenis gemaakt heeft.

zou zijn. Waarlijk een zeer interessante questie voor een theologische dissertatie, wier oplossing in een catechisatiekamer juist op hare plaats ware! Zou Sepp's behagen in de kunstjes eener, ik dacht reeds verouderde, harmonistiek hem niet zijne eer als wetenschappelijk man hier uit het oog hebben doen verliezen?