is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 1, 1867, 01-01-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'/welke ik daarvoor ontvangen hebbe." Daar nu bovendien, volgens 't voorbericht van den Grooten Bundel, Maktinus Nieuwenhuyzen sedert 1791 lid der commissie voor de samenstelling van dat gezangboek was en haar //het streelend genoegen verzorgde van te be//komen de gulhartige toezegging van eenige, welberoemde , //meest Ainsterdainsche dichteren en dichteressen, otn //nevens hem den bundel van gezangen te vervaardigen," was 't hoogstwaarschijnlijk dat tot die //wereldberoemde" dichters ook Nieuwenuuizen's mederedacteur aan het weekblad de Menschenvriend n. 1. Ds. B. Bosoh behoorde. Zoo is het inderdaad. Voortgezet onderzoek heeft mij geleerd, dat op mijn naamlijst wel terecht aan Bkrn. de Bosch zijn toegekend de nommers 1, 32, 35, 40, 44, 45, 48, 49, 53, 54 en 58 uit den Grooten Bundel, die trouwens allen in de Zonsche liederen van 1762 voorkomen, maar dat de latere nommers 72, 93, 109, 127, 131 en 134 verkeerdelijk op zijn naam staan en inderdaad het werk zijn van den //welberoemden" Ds. B. Bosch. De overeenkomst van naam verklaart genoeg, hoe de vergissing ontstaan is, waaraan ik mij zeker niet had schuldig gemaakt, indien ik er aan gedachtig was geweest, dat B. de Bosch , reeds den 27en October 1786 d. i. tien jaren vóór de invoering van den Grooten Bundel overleed, — vooral ook, indien ik den zeer uiteenloopenden geest van 's mans poëzie met dien van B Bosch vergeleken had.

Op de naamlijst der uitgezochte liederen beweerde ik dat de auteur van het 2e lied onbekend is. Uit het-