is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 1, 1867, 01-01-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreken. Is Jat denkbeeld niet aangrijpend, niet treffend? Is zulks niet geschikt om den Christelijken geest, als een geest van eenheid, die de gemeente als één ligchaam beschouwt, waarvan de leden op elkaar de grootste betrekking hebben, te bevestigen?

Inderdaad moet dan een algemeen Kerkgezang bij de Doopsgezinden , als broeders tot dezelfde kerkgemeenschap behoorende, komt het mij voor, bekoorlijk toeschijnen. En is het alleen bij wenscheu gebleven van dezen of genen? Zijn er ook niet wel eens pogingen in het werk gesteld? //Een ongeregeld mensch" schijnt mij toe uit naam van alle Doopsgezinden te willen spreken, waar hij zegt: //En wat het ergste is, wij hebben vol//strekt geen hinder van de verwarring, en doen geen //moeite om orde te brengen in dien chaos, maar gevoe//len ons daarin regt behagelijk en op ons gemak." Ik geloof dat verscheidenen niet van dezelfde meening zijn. Deze bladzijden dienen dan ook slechts om te verlevendigen en bij vernieuwing de aandacht te vestigen op een tot nog toe vromen wensch. En inderdaad; zou er wel een middel wezen, dat dien wensch vervult, entevens de vrijheid, //die wij beminnen," niet aan banden legt? Of, om ons nader te bepalen — want vrijheid is zulk een algemeen woord —: dat het leven en den inhoud der geloofsovertuiging bij de gemeente niet in hare vrije werking en ontwikkeling, ook maar eenigzins, wijzigde of bepaalde? Geheel zal dat wel niet te ontkomen zijn. Doch ontwijken we mi ook wel dien klip? Zullen niet de meeste gemeenten, die liederen wenscheu,