is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 1, 1867, 01-01-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

broederschap berust. Degene, voor wien //de wetenschap" dat twijfelachtig heeft gemaakt, houdt feitelijk op tot ons te behooren, al ware hij ook een gedoopt lid der gemeente, een leeraar, ja een hoog-leeraar.

Gemeenschap des geloofs in den heiligen Geest! — hoe kan zij, behalve door onze Societeiten en de genoemde vereenigingen, nog meer onder ons aangekweekt worden? hoe komt het rijk van onzen Vader onder ons, zoo als wij immers allen daarom bidden P Die vraag bedenke ieder opregt Doopsgezinde. Wij denken hierbij aan:

onze Vereeniging tot Evangelieverbreiding. Het zendingswerk is een schoone taak die aller zamenwerking verdient en behoeft. Zendingsijver (ijver met verstand!) is te regt voor een maatstaf beschouwd van het christelijk leven. Uit zijn overvloed wil iemand gaarn mededeelen; die niet heeft, heeft niet om te geven, en hij kan niet begrijpen waarom gij een ander rijk wilt maken, met een schat dien hij zelf niet kent noch bezit. De zoodanige laat ieder, ook den heiden , zalig worden //op zijn eigen vois." Hij zie toe op zich zeiven. Kweeken wij toch onder elkander den zendingsijver aan! Schamen wij ous het Evangelie van Christus niet, dat een kracht Gods is ten leven, — of wij zouden ons voor ons zeiven moeten schamen om onze vrijzinnigheid voor ons en de heidenen! Yan het Zendingswerk geldt het versje van den ouden Latijnschen dichter Ennius : wie een ander een kaars ontsteekt , ontvangt zelf meerder licht. Het Evangelie is als een wonderbrood, dat ver-