is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het meest belangwekkend. Aan de geschiedenis van de staatkundige indeeling zijn bijna 100 bladzijden gewijd. Zij hangt nauw samen, zooals trouwens overal in ons polderland, met de waterstaatkundige geschiedenis. Het was immers de waterstaatkundige toestand, die de waarde van het bezit van het land bepaalde en zulks spreekt te meer in een gebied als het behandelde, dat gedurende den tijd van de geschreven geschiedenis bijna geheel op het water is veroverd. Hier is een onderscheid te maken tusschen de beide hoofddeelen van het eiland Goeree en Overflakkee, die, tot zij in 1751 door een dam werden samengekoppeld, afzonderlijke eilanden waren. Van Goeree, door duinen tegen de Noordzee beschermd, wordt reeds in de vroegste geschreven bronnen melding gemaakt onder den naam Westvoorne. Overflakkee is in geschiedkundigen tijd ontstaan door de achtereenvolgende bedijking van schorren en platen, die door aanslibbing ontstonden in de breede watervlakte die hier Holland van Zeeland scheidde. De eerste indijking, die van Dirksland, dateert van 1416, ongeveer een eeuw later dan die van het Oudeland van Goeree, doch' reeds in de eerste helft van de 13de eeuw worden verschillende van de Overflakkeesche polders als bekade platen vermeld. In 1483 zijn dan als afzonderlijke eilanden vijf bedijkingskernen ontstaan, die van lieverlede door aandij kingen en opvullingen tot één eiland worden vereenigd. De zes bij het werk gevoegde kaarten geven een duidelijk beeld van den ontwikkelingsgang van omstreeks 1415 tot op onzen tijd.

De gewone gang van zaken was, dat wanneer een plaat rijp werd 0111 te worden ingedijkt, de landsheer hiertoe een vergunning verleende, waaraan voor de bedijkers zekere verplichtingen waren verbonden. Meestal verkregen zij dan tevens heerlijke rechten op het ingedijkte land. Met uitzondering van Sommelsdijk, dat tot den Franschen tijd tot Zeeland behoorde, lag het geheele eiland in het gebied der graven van Holland.

In onderafdeeling II (de Waterkeeringen) wordt de gang der achtereenvolgende bedijkingen nader omschreven. Hier en daar ging eenig land weer verloren tengevolge van doorbraak der dijken, maar over het algemeen zien wij een gestadigen groei van het eiland van de 13de eeuw tot heden. In enkele gevallen moest de landsoverheid financieel bijspringen om het gemaakte te behouden. In het bijzonder was dit het geval toen in de 18de eeuw het ruime zeegat dat tusschen Goeree en Overflakkee was overgebleven, voör de aangrenzende polders noodlottig dreigde te worden. De aanleg van den verbindingsdam en de aaneenhechting der beide eilanden was er het gevolg van. In de 19de eeuw werden verschillende plannen gemaakt om ten behoeve van den scheepvaartweg van Rotterdam naar zee de landengte weer door te graven, maar daarvan is niets gekomen.

Tot op onzen tijd heeft het Rijk bemoeienis met de verdediging van de duinkust van Goeree, waar reeds in het midden van de 18de eeuw strandhoofden werden aangelegd.