is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 9- het klimaat

a) Diverse klimaatsfactoren

Zooals reeds boven is aangestipt, wordt een vochtig klimaat, met een hoog humiditeitscijfer en met een ruime hoeveelheid neerslag, algemeen als voorwaarde voor podsolvorming aangezien, wat uit de opvatting van een uitspoelings-inspoelingsprofiel natuurlijk ook van zelf voortvloeit. Maar dit behoeft nog niet te beteekenen dat het klimaat het heele jaar dóór vochtig zou moeten zijn; integendeel, verscheiden onderzoekers zien juist de afwisseling van een nat en een droog, van een winter- en een zomerklimaat als noodzakelijke vormingsvoorwaarde, zooals wij hieronder zullen bespreken.

Wat de temperatuur betreft, zijn de opinies minder duidelijk geformuleerd. Vlieger ziet als gewenscht een vochtig klimaat met een temperatuur die zoo laag blij ft, dat de organische resten niet te sterk door micro-organismen worden verteerd, en humusophooping dus mogelijk is. Beyerinck en Hudig zien in een drogen zomer, waarbij de zonnehitte in den grond doordringt en de humus in de bovenlaag uitdroogt, een belangrijken factor voor de vorming van de eigenaardige harde, vaste humusdeeltjes die in het loodzand voorkomen en daaraan de zwarte kleur en het eigenaardige stoffige karakter verleenen.

Omtrent den invloed van de vorst op de podsoleering blijken nog geen vaststaande inzichten te bestaan; in hoeverre een bevroren ondergrond met een door stagneerend water kletsnatten bovengrond — zooals die op wat lagere, vlakke heidestukken ook thans 's winters menigmaal wordt aangetroffen — iets met podsolvorming heeft uit te staan, is nog niet uitgemaakt; het feit dat, voor zoover dit is nagegaan, het podsolprofiel op zulke lagere stukken niet duidelijk verschilt van het profiel op de iets hoogere gedeelten of van den podsolband die over kleine terreinverheffingen, grafheuvels en dergelijke heenloopt, geeft een aanwijzing dat zulke factoren geen rol van beteekenis spelen. Mogelijk echter zullen meer en nauwkeurige waarnemingen, metingen en vooral ook analyses een ander licht op deze betrekkingen werpen; zonder twijfel is het aantal goed gedocumenteerde en goed vastgelegde waarnemingen nog te gering voor behoorlijk bestudeering, en gaat men thans nog te veel af op oppervlakkige, tamelijk subjectieve gegevens.

b) Invloed van k 1 i maa t s w i s se 1 i n g; droogte en vocht, koude en hitte

Reeds eenige jaren geleden heeft Beyerinck zijn hypothese prijsgegeven dat loodzand en „oerbank" niet genetisch samenhangen, maar dat de laatste een toendrabank uit den ijstijd is, waarop het loodzand later is opgestoven (zie § 3). Wat het loodzand betreft werd de vraag omtrent de vormingswijze daarmee slechts verplaatst; want waar en hoe zou dan dat van elders aangebrachte loodzand ontstaan zijn, en waarom zou het na dat overstuiven zoo groote oppervlakten