is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ministratieve indeeling. Met Van Heuven stem ik geheel in, als hij jonge vormingen aanneemt: de adat is ten deze allesbehalve star. Het komt mij voor dat in Roeteng en Rahong de oorspronkelijke grondregelingen nog het best worden nageleefd, maar tusschen deze beide gebieden bestaan onderling zoowel als ten opzichte van Van Heuven's daloeschappen, die ook een ouderwetschen indruk maken, sterke verschillen. En wat te denken van Rembong, waar het offer door of namens den daloe event. glarang geschiedt, maar de ,,ata ■door" den grond verdeelt, wat van het niet voorkomen van een tuinpriester in Boleng? Lieden van adel spreken graag met geringschatting over de grondvoogden, stellen hen voor als volslagen onbelangrijke lieden, maar niettemin trachten zij met plaatselijk zeer wisselend succes, de bevoegdheden dier lieden in eigen handen te krijgen. Ik wijs er hier terloops op dat bij de tuinoffers steeds naast kippen varkens geslacht worden, nimmer karbouwen of paarden; men gebruikt hiervoor dus steeds dieren, die, zooals later nog ter sprake zal komen, met de vrouw mee„draaien" in het sociale verkeer.

Maatschappelijke standen

Thans iets over de maatschappelijke standen. Men onderscheidt den adel, d.i. de stand der kraèngs, de gewone vrijen, d.i. de stand der ata léké, en de onvrij en. De grens tusschen kraèng en gewonen vrije is niet zeer scherp. Wanneer ik in midden-Manggarai met de menschen over den kraèngstand sprak, dan werd mij herhaaldelijk gezegd: alleen de ata léké en de onvrijen noemen de glarangs en hunne mannelijke clangenooten kraèng, de daloe en zijn clangenooten doen dat nooit, zij zeggen „glarang"; de glarangs (en hun verwanten), de ata léké en de onvrijen noemen den daloe en zijn verwanten kraèng, maar de kraèngs van Todo en Pongkor doen dat niet, zij zeggen „daloe"; alleen deze laatsten worden door ieder kraèng genoemd, ze zijn de kraèngs bij uitnemendheid. Men krijgt zoo den kegelvorm der maatschappij 46), die ook in andere deelen van onzen archipel, in de Batakstreken bijv. 47) zoo vaak vergeleken wordt met een stapel rijst, breed aan de basis, smal aan den top48).

Over de ata léké als zoodanig valt weinig te zeggen. Zij vormen de massa van het volk, waarbij de vrees voor den kraèng groot is. Vraagt men naar hunne herkomst, dan krijgt men ten antwoord: wij hebben hier altijd gewoond.

46) Ik wijk hier af van Nooteboom, die op pag. 29 van zijn Oost-Soemba de hoofdindeeling der standen legt tusschen vrijen en slaven; ik ben van meening dat de laatsten niet tot het eigenlijke volk behooren ■— hierover onder nader —• maar dat ze in hoofdzaak afstammelingen zijn van oudere bevolkingslagen. In de Manggaraische samenleving vormen de gewone vrijen de basis, daarboven komen trapsgewijze de standen der glarangs, der daloe's en der kraèngs „bij uitstek". De slaven vormen slechts een aanhangsel.

47) Wie de1 Bataks kent, weet, hoe democratie bij hen slechts in schijn bestaat: men wil geen bevelen opvolgen of meerderen erkennen, maar ziet wel alom lieden die men als minderen beschouwt en aan wie men bevelen geeft.

48) Vind ik dezen vorm terug in toempang en toempal op Java en in den Manggaraischen huisvorm: mbaroe niang?