is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cornet, en vervolgens door Blanchard en Briquet, een theorie uitgewerkt om te verklaren, hoe de loop van de regelmatige ontwikkeling van het naar het NNO geleidelijk dalende reliëf van plateaustrooken (,riedel") en valleien in Midden-België, door de Vlaamsch-Brabantsche heuvels werd onderbroken. Deze laatste vormen inderdaad, wat betreft hun vorm en richting, een zeer merkwaardig, afwijkend element in het landschap. De vorm is die van een aaneenschakeling, in één enkele lijn, van langgerekte ruggen en toppen, uitstekend uit het 100 m lager gelegen vlakke land; de richting is van den Kasselberg af tot den Kemmelberg en — na de breede onderbreking door de Leie- en Schelde-valleien — van den Kluisberg af tot den Pottelsberg, steeds weer dezelfde, nl. van West naar Oost. Aangezien deze heuvelrij ten Z door korte, maar duidelijk gevormde dalen begeleid wordt, lag het denkbeeld voor de hand deze als subsequente dalen en de heuvelreeks als cuesta te beschouwen, en wel zooals Blanchard aanwees, als de Yprésien-cuesta. Briquet stelde dan vast, dat de vorm der heuvels weinig met den vorm van een cuesta-rest overeenkomt; hij vond nl. in een speciaal geval (tekstfig. 62), dat echter misschien geen uitzondering voorstelt, dat niet alleen het zuidelijke cuesta-front, maar ook de noordelijke cuesta-glooiing tot een betrekkelijk steilen wand is ontwikkeld. Hij beschouwt den heuvel als kern van een synclinaal die tengevolge van de grootere resistentie bewaard bleef, en zijn morfotectonische positie als die van reliëf-inversie.

Stevens echter ziet in de heuvelreeks juist het omgekeerde, nl. een zadel, of beter een „surélévation", en wel een lid van een geheele groep van W-0 gerichte assen, die door even duidelijke dalingszones (ennoyages) zijn gescheiden. De Hene-vallei is een van deze dalingszones, het Mélantois (ten Z van Rijssel), waar het Krijt naar boven komt, en het Doorniksche (le Tournaisis), waar de Koolkalk van het Onder-Carboon aan den dag treedt, vormen de opheffingsas die de Hene-vallei in het N begrenst. De argumenten voor deze opvatting put St. voornamelijk uit geologische gegevens, en wel uit de hoogteligging van de basis van het mariene Onder-Plioceen, het Diestien. Het is trouwens een overbekend feit dat de Belgische kustvlakte, die van Z naar N uit verschillende eocene étages is samengesteld, door de onder-pliocene zee overstroomd werd, en dat het oppervlak der pliocene zeeafzetting de oeroppervlakte was, waarop zich het Belgische rivierennet heeft ontwikkeld. In Midden-België is het Phoceen echter aan de denudatie ten prooi gevallen en slechts nog op de toppen der Vlaamsche heuvels bewaard. Stevens meent nu te kunnen vaststellen, dat de basis van het Plioceen een zeer regelmatige golving vertoont. Is deze tectonisch, dan moet ook de oppervlakte een golving, een zeer jonge tectoniek van opheffings- en dalingsassen vertoond hebben, en deze tectoniek is zoo jong, dat ook nu nog de opheffingsassen de hoogten en ruggen, de dalingsassen de dalen voorstellen. Stevens meent hier en daar zelfs nog locale inzinkingen als gevolg van deze jonge tectoniek te kunnen aanwijzen. Inderdaad moet voor deze tectoniek een groote jeugd verondersteld worden, want anders waren de