is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren en dalen (die wel degelijk door de structuur en door den aard van het gesteente worden bepaald) de jonge opheffing der Ardennen te bewijzen.

Ook de Ourthe kan evenals de Maas tot de antecedente hydrografie behooren. Overigens is m.i. het verband tusschen tectonische dwarslijnen en de morfologische verschijnselen niet in ieder geval duidelijk. Reeds boven, in het geval van de Hoyoux, hebben wij daarop gewezen; verder in het Oosten stroomen de Vesder (Vesdre) en de Geul juist op „anticlinalen", de anticlinaal van Fraipont en de anticlinaal van Moresnet. Waarschijnlijk zijn in beide gevallen — en dit geldt zeker voor de anticlinaal van Moresnet — zachte of oplosbare gesteenten in betrekkelijk hoog niveau terecht gekomen, zoodat hier erosie en wegruiming in ruime mate konden plaats hebben, maar dalaanleg tengevolge van inwelving was daar zeker niet! Stevens blijft dan ook pas weer bij de „surélévation de 1'EifeP' stilstaan, waarmede hij een denkbeeldige, ZO-NW gerichte strook bedoelt, die de hooge (niet vulkanische) toppen van den Hoogen Eifel, de Schneifel, het Losheimer Wald en het Hooge Venn verbindt. Ook het veel lagere, maar toch ver boven zijn omgeving uitstekende plateau van Herve, behoort tot deze strook.

Met het Hooge Venn hebben ook Mej. M. Kirchberger en schrijver dezes zich beziggehouden, waarvan de eerste het Hooge Venn als een opgeheven deel van het Leisteenplateau van den Rijn beschouwde, schrijver dezes als verbogen volgens een in Variscische richting loopende as. Ook Stevens haalt het neerduiken naar het ZO aan; dit moet volgens hem betrekking hebben op een speciale opwelving in Variscische richting van een reeds bestaande ( ?) „surélévation in dwarsrichting. Daarbij komt dat de Schneifel vermoedelijk een monadnock is. De „surélévation de 1'Eifel" lijkt toch nog eenigszins hypothetisch te zijn. Ook Stevens voelt de moeilijkheid om hier, waar jonge afzettingen, vooral tertiaire, met goede' fossielen, ontbreken, morfologisch werk te doen, en men kan niet zeggen dat hij de moderne morfologische methoden durft toe te passen. Hij vraagt zich wel af (pag. 323) : waar de „surélévation" zich begint te manifesteeren, d.w.z. van welk niveau af, en met welke stratigrafische zone begint, dwars op de Variscische strekkingsrichting, de voet van den steilrand van den noordelijken hoogterug van de Ardennen, vooral van het Hooge Venn. Het antwoord luidt: van het niveau van 300 m af en met het Onder-Devoon; bovenop de ruggen hooger dan ca. 600 m heerschen weer flauwe, plateauachtige vormen. De naar verhouding steile helling tusschen 600 en 300 m komt ten deele op 1 ekening van het resistente karakter der onder-devonische gesteenten, ten deele moet ze volgens Stevens echter door de „surélévation" zijn veroorzaakt. Aangezien echter de genoemde steilrand in Variscische richting gestrekt is, kan hij niet tot een dwars gerichte „surélévation" behooren. Zoo kan Stevens ook geen argumenten voor zijne opvatting aanvoeren die berusten op de geologische samenstelling en de landschapsvormen van deze hypothetische „surélévation" en wordt, beN. A. G., LIX. ' ,