is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de normaal elkaar opvolgende inkrimpingen der zeeuitbreidingen of transgressies, met weer verdergaande transgressie van de oligocene zeeën. Maar het feit dat de pliocene transgressie nog verder naar het Z is doorgedrongen, is er een bewijs voor dat de oudere lagen alleen tengevolge van eene vergaande denudatie zijn blootgekomen en terecht spreekt Stevens daarom van een „pénéplaine".

Stevens vat zijn opmerkingen aangaande de laatste ontwikkelingen ten slotte als volgt samen.

De boven-pliocene trans- en regressie waren het uitgangspunt voor den aanleg van een rivierennet. Deze rivieren en de daarvan uitgaande denudatie brachten een schiervlakte tot stand, die van het Krijt over de dagzoomen der tertiaire lagen heen liep, in een tijd samenvallend met een tectonische rustperiode in het begin van het Pleistoceen (Riss). Slechts in groote treldcen kwam de hydrografie met de tegenwoordige overeen. Het reliëf van toen is zoo versleten, dat de toen plaats gehad hebbende aantappingen reeds een zoo'n oud voorkomen vertoonen, dat daartoe alleen nog uit de kaart kan worden geconcludeerd, maar niet meer uit de feiten van het reliëf. En daarna kwam het tot de „surélévations" van de schiervlakte, of van gedeelten dezer schiervlakte, de surélévation van Limburg en de overige.

In een slotparagraaf van dit Hoofdstuk XV herdenkt Stevens nog eens onzen Nestor van het Diluviaalonderzoek in Nederland, J. Lorié, die eveneens de meening van een dergelijke verandering van het Belgisch-Nederlandsche rivierennet was toegedaan.

Zijn op België betrekking hebbende uiteenzettingen besluit Stevens, zeer „effectvol met het Hoofdstuk XVII: Les déformations actuelles du sol. Was er te voren, in verband met de uiteenzettingen aangaande de „surélévations in den ondergrond van Vlaanderen, reeds sprake van jonge tectonische veranderingen in het kustvlakland, zoo komt Stevens nu nog eens uitvoerig terug op de „cuvette" van HaelenSchuelen, als voorbeeld van een, nu nog in den toestand van dalende beweging verkeerend terrein in het binnenland. Het gaat om het betrekkelijk weinig uitgestrekte gebied, waar Demer, Hercq en Geete samenstroomen, een moerasachtig weiland, waar sporen van voortgaande moerasvorming waargenomen worden, en waar in het feit der centripetale afstrooming het gevolg van een plaatselijke daling wordt vermoed. Ook aan de „cuves" in de Hene-vallei wordt nog eens herinnerd, en deze worden nu direct in verband gebracht met het tectonische gebeuren in den ondergrond: het langzame afglijden van de schol („massief") du Boussu langs de „crête de Montreuil", terwijl er verder op wordt gewezen dat Renier ook de verschuiving „faille de Spinois" als thans nog actief beschouwt. Ook Ieperen ligt in het middenpunt van een „ennoyage , wat reeds uit de breedteveranderingen van de alluviaalvlakte van de Ieperlee volgt.

Stevens besluit met er op te wijzen dat de verschillen tusschen de nauwkeurigheidswaterpassing en de vroegere algemeene waterpassing te groot zijn om te veroorloven aan tectonische rust te denken. Nadat