is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Galoempangsche) af. Invloed van de West-Toradja-talen is duidelijk.

Het uiterlijk van de To Seko (onder welken naam ik voortaan het volk in zijn geheel versta) is niet aantrekkelijk; ze hebben grove gelaatstrekken en breede platte neuzen. Terwijl men onder alle Toradja-groepen welgevormde personen aantreft met fraaie gelaatstrekken, konden wij bij de To Seko geen enkele persoon ontdekken die een voor ons aantrekkelijk uiterlijk had. Zelfs onder de kinderen kregen wij geen mooi, zelfs geen aardig gezicht te zien. Het groote verschil in uiterlijk valt vooral op wanneer men in het dorp Tikalo (Tarampe) de To i Rampi' ziet die daar wonen, van wie velen fijne gelaatstrekken hebben.

Wat het voorkomen van de vrouwen in Amballong en Pewanear.g tijdens ons bezoek in 1919 nog terugstootender maakte, was het korte haar dat ze droegen, waardoor haar hoofden op ragebollen geleken. Men vertelde ons toen dat de vrouwen tot het afsnijden van het haar waren gekomen, omdat dit haar gehinderd had bij haar vlucht in de wildernis, toen Mamoedjoesche benden de To Seko overvallen hadden. Vermoedelijk zal dit wel niet de ware reden zijn geweest. Opmerkelijk is wel dat de To Seko niet die groote magische beteekenis aan hoofdhaar toekennen, als dit het geval is bij andere volken van Midden-Celebes. Zoo is het dezen menschen onverschillig of het haar overdag of 's nachts gesneden wordt; wat er met het afgesneden haar gebeurt, maakt hen niet bezorgd; zelf zullen ze het niet verbranden, maar als een ander dit doet trekken ze zich er niets van aan.

Dat de To Seko op een primitieven trap van geestelijke ontwikkeling staan in vergelijking met de hen omringende volken, blijkt vooral uit twee dingen: uit de onverschilligheid waarmee zij hun dooden behandelen -—• waaruit volgt dat zij zich geen hooge voorstelling van het leven van de ziel maken — en uit de omstandigheid dat ze geen sjamanen kennen, wat ze gemeen hebben met andere primitieve volken op Celebes als de To Patoentoeng en de To Pakawa.

Vermoedelijk hebben de To Seko geruimen tijd vredig en onbekend voor hun naburen in hun land geleefd. Deze omstandigheid is bij hen vastgelegd in een overlevering, die vertelt hoe ze met de bewoners van het land ten Zuiden van hun woonplaats in aanraking zijn gekomen. Eens gebeurde het dat een Seko vrouw van Tamatang, waar de lieden van Lodang eertijds woonden (de ligging van deze plaats is niet meer aan te geven), in aanraking kwam met een man die van Mangkaloekoe in Loewoe' het gebergte was ingegaan (aan de Rongkong-rivier woonden toen blijkbaar nog geen menschen). De vrouw had Spaansche peper bij zich, de man zout. De man kende geen Spaansche peper, de vrouw het zout niet. Toen ze deze producten van elkaar proefden, kwamen ze tot de ontdekking dat deze twee dingen met elkaar vermengd uitstekend smaken. Ze besloten dus samen te huwen. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, Tapangala en Taraboe. Welke rol deze twee menschen in de geschiedenis van de To Seko hebben gespeeld, wist men ons niet te zeggen.

De geschiedenis van de To Seko is er een van veel strijd en onrust