is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat de bewoners van de hoofdplaats zich van de overige Toradja's onderscheiden achten, blijkt uit het feit dat zij zich liefst aanduiden met den naam van To Galoempang, in onderscheiding van de anderen die zich To Mangki noemen. Maar het meest overtuigende bewijs dat de Toradja's van de hoofdplaats nog ander bloed in de aderen hebben dan de overige Toradja's van dit district is hun uiterlijk voorkomen, dat verschilt van dat der overigen, een verschil dat ook bij andere Toradja-stammen wordt gevonden: een type met fijne gelaatstrekken tegenover de grovere trekken van het gewone volk. Dit is niet alleen mij opgevallen, maar ook anderen. Zoo schrijft Ds. A. Bikker: „De menschen van Galoempang staan bekend voor groote sterke menschen met knappe gezichten ... De kapala is een mooi type van een Galoempang Torad ja. Gekleed met een lendengordel en doek, de lange haren door een hoofddoek samengebonden, in een ietwat voorovergebogen houding, is het een echt Indianen type (U.K.K., 23, 1928-29, pag. 121, 122).

Of Galoempang ooit eenige suprematie over de andere dorpen heeft uitgeoefend is mij niet gebleken, maar dat het een bijzondere positie onder hen innam is zeker. Zoo genoot de tobara' patoke, de hoofd-tobara' van Galoempang, bijzondere achting onder de Toradja's van de Karama-streek. Bij zijn dood kwamen de menschen uit het heele district hun belangstelling toonen, en brachten rijst en hoenders voor het doodenmaal. Allen werkten mede aan zijn graf, waarover ik beneden nog een en ander zal mededeelen. Wanneer een dorp in den verren omtrek een oogstfeest vierde (mekendek), of een stamfeest organiseerde (ma'boea), werd de tobara' patoke van Galoempang daarbij geroepen. Het stamfeest te Galoempang was steeds zeer luisterrijk, omdat de menschen uit alle deelen van het land daaraan deelnamen. Wanneer de maradia van Mamoedjoe in het land kwam, deed hij niets voordat de tobara' patoke van Galoempang tot hem was gekomen ; maatregelen die deze niet goedkeurde, werden naar het beweren mijner zegslieden, niet uitgevoerd.

Meermalen moet Galoempang in den ouden tijd tegen Mamoedjoe hebben gevochten. Aan de zijde van het laatste schaarde zich ook de bevolking van de Leling-rivier, ten N van Galoempang. Deze Toradja's zijn To Mangki die uitgezwermd zijn, maar zij hebben blijkbaar altijd sterk onder invloed van Mamoedjoe gestaan. Toen de To Mangki in de laatste jaren tot het Christendom overgingen, hebben de bewoners van het Leling-gebied het Mohammedanisme omhelsd.

Behalve met de Mamoedjoeërs, die herhaaldelijk rooftochten in het Galoempangsche organiseerden, en bij deze gelegenheden vaak dorpen in de asch legden, moeten de To Mangki ook nu en dan gevochten hebben met Baroeppoe, den naastbij wonenden stam van het Sa'dangebied (Onderafd. Ma'kale).

II. DE MAATSCHAPPIJ

15. De tobara'

De To Mangki kennen evenals hun naburen in het Zuiden drie