is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ijzer: twee soorten van graafijzers, oti en pekeke. Deze twee dorpen bewezen ook den Maradia van Mamoedjoe hulde door hem vijf pcmgoena, ijzeren schopjes, te schenken. Ze brachten deze niet zelf naar de hoofdplaats, maar zonden ze naar Oeko, waarvan wij weten dat dit bewoond wordt door stamgenooten van de To Seko. De menschen van deze plaats zorgden er voor dat het geschenk ter bestemder plaatse kwam. Het bestuur over Seko en Beroppa is thans opgedragen aan een Loewoeschen groote, die te Boeangin, aan den grooten weg van Palopo naar Malili, woont. Nu en dan houdt hij ook verblijf in Seko, waar hij eveneens een woning heeft.

ITI. KOPPENSNELLEN

22. Wanneer men ging koppensnellen

Het schijnt dat de dorpen der T o M a n g k i niet versterkt werden. Wanneer een bende van den vijand kwam, bevocht men die, en gelukte het niet die te verdrijven, dan vluchtte men het bosch in, de huizen in handen van den vijand latende.

Behalve bij het uitvechten van veeten was men gewend om bij verschillende andere gelegenheden een menschenhoofd te zoeken. Het werd b.v. gehaald bij het overlijden van een Tobara' of ander aanzienlijk mensch en bij het bouwen van een woning. Wanneer zich bijzonder veel sterfgevallen voordeden, trachtte men hieraan een einde te maken door een menschenhoofd te halen. Wanneer het gewas was mislukt, overlegde de Tobara' met de dorpelingen om uit snellen te gaan. Men legde dan de gelofte af (samajai) om wanneer de rijst het volgende jaar gelukte, een kop te gaan halen. Had men een goeden oogst, dan werden toebereidselen gemaakt om er op uit te gaan. Overlegd werd waar men het slachtoffer zou zoeken. De bewoners van de Salole-vallei gingen daartoe meestal naar Oeko, of naar Seko. Men richtte zich ook wel tot een dorp van stamgenooten, wanneer men meende dat zich daar iemand aan een of ander misdrijf had schuldig gemaakt.

Bij de T o Seko heeft men volgens hun eigen mededeelingen en volgens het getuigenis van de omwonende volken weinig aan koppensnellen gedaan, ofschoon voor verschillende gelegenheden een menschenhoofd noodjig was. Bij mijn bezoek aan dit volk in 1919 vertelde mij de toenmalige rustende Tobara' van Wono, Tamareng (Ama Takoerok), dat de To Seko eertijds nooit de hoofden van menschen namen, die ze uit zelfverdediging hadden gedood. Toen kwam er echter een tijd dat telken jare de rijstoogst mislukte: rijstvogels en muizen vernietigden het gewas. Eens nu waren twee mannen bezig om vogels van den akker te verjagen, toen ze een stem hoorden, maar de spreker was onzichtbaar. De stem sprak: „Op deze wijze zal de rijst nooit gelukken; ge moet het paboeno (koppensnellersfeest) vieren". Maar de geest vertelde er niet bij hoe men dit moest aanleggen. Men ving toen eerst eenige rijstvogels, en deed met de koppen