is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aangezien deze fasen na de vorming van een aantal niveau's vielen, vervalt door deze differentieele oprijzingen voor deze niveau's de correlatie van hoogte en ouderdom en daarmee hun voornaamste door Bakker gebruikte onderscheidingskenmerk! Bovendien blijken hoogte en markantheid der breuktrappen niet op alle punten van een breuk gelijk te zijn. De consequentie hiervan is dat öf inderdaad de spronghoogte van een breuk niet op alle punten dezelfde is — er heeft dan kanteling plaats gehad en ook de algemeene horizontaliteit vervalt als kenmerk der (gekantelde) niveau's — öf de geconstateerde hoogte der breuktrappen niet meer met hun spronghoogte overeenkomt; hieruit zou een zóó sterke wisseling van het op verschillende plaatsen bereikte resultaat der posttectonische denudatie volgen, dat elke genetische onderscheiding van oudere (praetectonische) vlakteresten onmogelijk wordt. Bijgaande blokdiagrammen (fig. i) veraanschou-

Geteekend door J. H. M. van Dijk

Fig. i. Twee interpretaties van een hellend schiervlakte-niveau

welijken deze twee mogelijke interpretaties. Ter vereenvoudiging is in beide gevallen uitgegaan van een horizontaal vlak A A B B . Links is door stippellijnen weergegeven hoe een deel van dit vlak door een kantelende beweging in de positie A' B' is geraakt; de beweging heeft daarbij plaats langs het breukvlak A A' B' B. De volgetrokken figuur geeft aan hoe het gekantelde blok door de denudatie is gemodelleerd, waarbij het oorspronkelijk vlakke oppervlak slechts bij de breuk in sterke mate is aangetast. Rechts is het blok zonder kanteling opgeheven, d.w.z. de spronghoogte van de breuk is overal dezelfde: A A'= B B'. Hieruit kan een scheefstaand niveau slechts ontstaan als het resultaat der denudatie van den voorgrond naar den achtergrond zeer geleidelijk afneemt.

Gelukkig blijkt de eerste interpretatie in den Morvan van toepassing te zijn op een groot aantal breuktrappen, waardoor de mogelijkheid van tectonische interpretatie van het reliëf gegeven is. Gemakkelijk zou deze interpretatie slechts zijn wanneer de tegenwoordige hoogte der breuktrappen werkelijk nauwkeurig met hun spronghoogte overeenkwam, d.w.z. wanneer de denudatie het tectonische reliëf onaangetast gelaten had. Zulks is helaas niet het geval, maar zij is er toch niet in geslaagd breuktrappen van meer dan 30 m hoogte uit te wisschen.