is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te veranderen, moeten vele schollen gekanteld zijn; andere schijnen zonder kanteling opgerezen te zijn. Al deze bewegingen zijn bij de reconstructie tenietgedaan. Nergens heb ik in den Morvan overtuigende kenteekenen van verbuiging van de aardkorst gevonden, al is het niet uitgesloten dat dit verschijnsel zich in beperkte mate heeft voorgedaan.

De eerste eisch dien men aan zoo'n reconstructie moet stellen is, dat voor elk punt van de kaart is af te lezen wat en hoe er precies gereconstrueerd is. Daarom zijn niet alleen de grenzen der schollen aangegeven (dat zijn de jonge breuken 5"), maar ook de bedragen, waarover ik die schollen heb laten zakken bij het aan elkaar passen (index-getallen). Elk index-getal is de som van de door mij afgeleide differentieele opheffing ter plaatse (fasen Fx en F2) plus de willekeurig aangenomen algemeene welving van het geheele gebied sedert stadium C. Dit laatste onzekere bedrag is dus voor alle punten gelijk, tenzij met deze welving ook een scheefstelling gepaard ging.

De grondslagen der reconstructie

De reconstructie van een vroeger reliëf bestaat uit het aangeven van de hoogte èn van de uitbreiding die de verschillende reliëfelementen op het voor de reconstructie gekozen tijdstip innamen. Wij zullen deze beide punten geheel afzonderlijk behandelen, de uitbreiding in de volgende paragraaf.

De hoogtebepaling valt weer uiteen in twee elementen: hoe hoog is het punt na dat tijdstip opgeheven (algemeen plus differentieel) en hoeveel is het intusschen door denudatie verlaagd? Aangezien de tweede vraag vrijwel nooit exact is te beantwoorden, heb ik den invloed van de „latere" denudatie bij mijn reconstructie niet verwerkt. Om de eerste vraag in absoluten zin op te lossen zou het onderzoek op de een of andere manier moeten aanknoopen bij het zeeniveau. Ik ben daar nog niet aan toegekomen en heb mij dus voorloopig tevredengesteld met het afleiden van de bewegingen der schollen ten opzichte van elkaar, terwijl de bewegingen ten opzichte van het zeeniveau door de index-getallen slechts als voorloopige ruwe benadering zijn aangegeven, te meer omdat het zeeniveau sedert fase F zeker ook is veranderd.

Om het bedrag van deze differentieele bewegingen aanschouwelijk voor te stellên moest ik een imaginair basisvlak aannemen, dat „oorspronkelijk" overal eenzelfde hoogte boven zeeniveau had; door vervolgens de tegenwoordige positie van dit basisvlak aan te geven kon ik de relatieve bewegingen der schollen bepalen en grafisch voorstellen. Deze voorstelling geeft dan het resultaat van de tectonische gebeurtenissen op dezelfde wijze weer als de voorstelling van een geplooid of verbroken geologisch laagvlak in een tectonische structuurkaart. Het behoeft geen betoog dat de met geomorfologische onderzoekingsmethoden bereikbare mate van nauwkeurigheid ten achter staat bij die der geologische methoden, wanneer laagvlakken vervolgd kunnen worden.