is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoog staat. Heeft de rijst vrucht gezet, dan spelen de vrouwen het ma'batoe, waarbij zij een steen op de wreef van den voet meedragen, en die dan naar het doel werpen. Deze twee spelen kent men in de overige deelen van het hier besproken stroomgebied niet.

Overal doet men aan steltloopen (Gal. tekka-tekka; Pew. tikola, Wono palao).

Speciaal een meisjesspel is het ma'timba' (Sa'd. idem; in Baoe en andere dorpen heet dit spel ma'sopi), waarbij eenige stukjes bamboe of bladnerf op den rug van de hand worden gelegd en dan opgeworpen, waarna ze in de hand moeten worden opgevangen (zie de beschrijving van dit spel in Tae' Wdbk. op timba', pag. 715).

Overal in het stroomgebied van de Karama wordt met pijl en boog gespeeld. De boog is van bamboe en heet in Iyemo toebi, maar in het Galoempangsche bitoe-bitoe, in Seko balili-lili. De pijl heet in Lemo pentoebira, en is overal van een rietstengel (Elcusine indica) gemaakt. Ook een ander spel heet bitoe-bitoe; hierbij worden steenen met een bamboe weggeslingerd. Ditzelfde doet men ook op andere wijze en dan heet het speeltuig besi. De gewone slinger, waarbij een projectiel met een reep katoen of blad wordt weggeslingerd, draagt den naam van leko-lcko.

De proppenschieter is overal bekend en heet baladoe.

In Wono zag ik spelen met rotan hoepels, die weggeworpen werden, waarna men er met stokken naar gooit. Deze hoepels heeten lohang.

Spiegelgevechten houden heet in het Galoempangsche ma'ringo (het Sa'd. tingo kan zoowel „tegenover elkaar staan" beteekenen, als „tegenstand bieden, weerstaan").

Nog een spelletje in het Galoempangsche is sipi-sipi; hierbij wordt een stukje hout tusschen een bamboe-tang geklemd, waarna men het houtje laat wegspringen.

65. Muziek

Onder de slaginstrumenten moet in de eerste plaats de trom (Gal. gandang; Seko kadoeng) worden genoemd. In het Galoempangsche kent men alleen de gewone trom, die aan beide einden met een vel is bespannen; gewoonlijk wordt hier één trom in het huis van den tobara', en één in dat van het dorpshoofd (kapala) bewaard. In Seko kent men ook trommen die slechts aan één kant met een vel zijn bespannen; deze dragen den naam van timbobo. Staande trommen, zg. bekertrommen, kent men in Seko ook; zij heeten hier karommi. Ook in Seko worden de trommen in het huis van den tobara' bewaard. Ze worden alleen bij godsdienstige plechtigheden gebruikt.

Een ander slaginstrument dat algemeen gebruikt wordt is de reperepe (Gal.) of teroeng (Gal., Wono). Bij de Poso-Toradja's heet dit voorwerp reeree. Het bestaat uit een stuk bamboe, waaraan de vorm van een stemvork is gegeven door tegenover elkaar twee reepen uit te snijden; de beide overschietende lippen laat men trillen door ze tegen de muis van de linkerhand te slaan.

Snaarinstrumenten bezit men in de iandilo (Gal.) of kanilo (Seko) ;