is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derlijken worden met drie banden gebonden). De To Seko gebruiken vier banden, over de enkels, de knieën, de handen en de borst, en om den hals. In Lemo gebruikt men er drie.

Goslings (pag. 82) vertelt hoe men met het lijk van een aanzienlijk mensch doet. De bijzonderheden daarvan zijn blijkbaar in de hoofdplaats Galoempang opgeteekend, en gelden alleen voor die plaats: „Een rotan mat wordt nu in de „ba'ba'" (gang) met den onderkant naar boven uitgespreid. Daarop worden twee a drie „koendai boesa" (lappen van witte stof zooals gewoonlijk door de vrouwen worden geweven), een „kain sekomandi" (doodendoek) dubbelgevouwen uitgespreid. Daarop wordt een hoofdkussen gelegd. Op een andere rotanmat, die op de normale wijze met den bovenkant naar boven wordt uitgespreid, wordt een „doelang" (houten bak) geplaatst.

Nu brengen de familieleden, die zich in hun fraaiste kleeding hebben uitgedost, het lijk van de sterfkamer naar de „ba'ba' ", alwaar het op de doeken wordt neergelegd. Over het lijk wordt een „lamborana" (een soort roode doek) gelegd.

De aanwezigen, die in feestdos zijn gestoken, houden in de hand een stok versierd met „bembe" (bossen geiten- of paardehaar) en voeren nu rond het lijk een doodendans uit. Dit wordt „soemajo" genoemd en gaat gepaard met geweeklaag van hen die niet meedansen.

Hierna worden de goederen van den overledene in de „ba'ba' " tentoongesteld. Deze goederen bestaan uit een „kain sekomandi", een „koendai sakkala" (lakensche jas), borden, kommen, doelangs, enz.. Dat alles wordt neergelegd op de mat, waarop de doelang is geplaatst. Dit heet „dipaloeloei barang" (barang ten toon stellen)".

De gewoonte van vele Toradja-stammen om haar en nagels van den overledene te bewaren heb ik nergens in het Karama-gebied aangetroffen. Van den aanplant van den overledene wordt niets vernietigd; alleen vertelde men mij in Baoe, dat na een sterfgeval iemand, die toevallig denzelfden naam draagt als de overledene, dezen zal veranderen.

Alleen de lijken van aanzienlijken werden een paar nachten in huis bewaard; de overigen werden zoo mogelijk op den sterfdag begraven. Bij den dood werd een hoen geslacht, dat den naam draagt van karoedoesan (Seko kadoedoehi), d.i. ,,'t oogenblik waarop iemand den laatsten adem uitblaast". Een hond of hoenders die gedurende het bewaken van het lijk geslacht worden, dragen in Lemo den naam van katadongkonan, waarschijnlijk: „met den doode samenzitten" (vgl. Tae' Wdbk. op tadongkon). Gedurende het waken worden in Lemo spelletjes gedaan, wat sibabangan wordt genoemd. Bij de To Mangki zei men geen spelen bij de doodenwacht te houden.

72. De 1 ij k k i s t

Als regel worden de lijken in een kist begraven, ook de lijken van personen die aan een besmettelijke ziekte of in het kraambed zijn gestorven. Alleen de lijken van personen die verdronken of door een omvallenden boom gedood zijn, worden ter plaatse in den grond gestopt zonder kist. In Seko schijnt het meermalen voor te komen dat