is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met het pas vermelde, mogen in Seko de weduwe (weduwnaar) en haar mederouwenden juist niet anders dan rijst eten met gekookte onrijpe pisang als toespijs. Vijf dagen houden zij dit vol, en daarna mogen ze weer andere spijzen nuttigen. Voor hen zijn in 't bijzonder Cololasia, oebi en maïs verboden, omdat deze drie voedingsmiddelen in een mandje op het graf worden geplaatst. Wanneer de rouwdragers zich niet aan dit voorschrift hielden, zou de rijstoogst mislukken. Alleen in Lodang en Amballong moet de weduwe zich gedurende twee dagen na het overlijden van het eten van rijst onthouden.

Regel is in Wono (Seko-Pada) dat de weduwe zich op den dag van de begrafenis gaat baden. Ze gaat in haar dagelijksche plunje naar het water, maar heeft een lap katoen op het hoofd gelegd. Dezen lap laat ze bij het baden afdrijven, samen met een klein mes. Teruggaande klimt ze niet in het sterfhuis, maar gaat ze rechtstreeks naar het huis van haar ouders of van een bloedverwant. Hier brengt ze twee of vijf dagen in afzondering door, en eet dan alleen rijst. Na afloop van dien tijd neemt ze een katehoe-blad, doet daarop wat water, voegt er een bamboe-mes aan toe, en werpt dit naar het Westen met de woorden: „Nu zijn wij van elkaar gescheiden".

In West-Seko (Pewaneang) houdt de weduwe (weduwnaar) het eten van uitsluitend rijst langer vol. Dit heet hier papali „zich onthouden". Ze draagt thuis haar oude kleeding; ze mag nu en dan wel naar den akker of ergens anders heengaan, maar dan steeds in haar eentje. Na een maand of twee verwisselt ze van kleeren, en dan mag ze weer allerlei andere dingen eten. Noch in Wono noch in Pewaneang gaat deze verandering met eenige plechtigheid gepaard.

Zoolang het lijk in huis is, zit bij de To Mangki en To Lemo de weduwe (weduwnaar) vlak bij het hoofdeneind er van. Wanneer het is uitgedragen, verbergt ze zich in huis, eet niet met de huisgenooten samen. Gedurende deze afzondering heeft zij een gezellin (Lemo tomamma'na, haar slaapgenoot), die voor haar kookt en de gemeenschap tusschen haar en de anderen onderhoudt.

Wanneer er een sterfgeval in het dorp is, gaat men niet naar den akker. Alle werkzaamheden die gerucht maken, als weven, het kloppen van boomschors, het stampen van rijst worden nagelaten, opdat het zoo stil mogelijk in het dorp zij.

77. Offers en doodenmaal

Zoolang het lijk in huis ligt, wat zooals wij weten gewoonlijk niet langer dan één dag is, wordt aan den doode geen voedsel aangeboden; alleen legt men sirih-pinang bij hem neer. Van het doodenmaal op het graf, het popeba'ba, krijgt de doode wèl zijn aandeel. Te Pewaneang, waar men dit grafmaal niet kent, worden op den dag na de begrafenis sirih-pinang, suikerriet en pisang naar het graf gebracht. Dit heet peroo'. Verder wordt een deel van de rijst, de maïs en het huisraad van den overledene afgezonderd, en dit wordt door een verren bloedverwant meegenomen.

Bij de To Mangki heeft drie dagen na het overlijden weer een doo-

N. A.G., LIX.

47