is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou ik als E kunnen opvatten, terwijl het hoogteverschil van ruim 20 m met de 370-E-terrassen W van Reclesne desnoods nog wel door sterkere denudatie van de laatste te verklaren zou zijn, of — met Bakker —- door tectonische verbuiging.

Bakker verklaart nu de vorming van het tegenwoordige dalsegment ten N van .488 door roof: aantapping van het W uit. Deze roof zou dan tot stand moeten zijn gekomen vóór de terugschrijdende erosie die verder zuidelijk de insnijding van 370 m tot 354-360 m veroorzaakte, het niveau van Colonge kon bereiken. Deze roof zou natuurlijk alleen tot stand gekomen kunnen zijn als de „uitvalsbasis" van den roover (tusschen .488 en .529) lager lag dan de te berooven dalbodem bij Colonge. Schol 18 (volgens mijn interpretatie) zou dus toen nog niet boven schol 22 moeten zijn opgeheven, öf de grens tusschen deze schollen zou anders moeten verloopen dan ik heb aangegeven. Nu is die laatste mogelijkheid niet a priori uit te sluiten: deze grens zou b.v. midden in het Termindal ten O van Sommant kunnen liggen, zoodat de niveau's 444-460 en 485-488 op schol 22 zouden liggen. Hieruit zou dan een iets andere kanteling van schol 22 moeten worden afgeleid dan door mij is aangegeven: door de plaatsen La Selle en Cologne zou een index-lijn 35 (= opheffingshoogte 350 m) getrokken moeten worden. Dan zou het 444-460 niveau tot de schiervlakte C (gemidd. gereduceerde hoogte 10; zie pag. 575) behooren, met een gereduceerde hoogte 9-11, en de twee heuvels 488 en 485 zouden resten van A zijn: voorposten van het iets verder westelijk algemeen voorkomende oudste niveau. De door mij als oostgrens van schol 18 geteekende breuken zouden dan door terrasranden moeten worden vervangen, waar ook al geen overwegend bezwaar tegen bestaat.

Het lijkt dus of hier alle denkbare verklaringen toegepast kunnen worden; alle ... behalve die van de drooglegging der „daltorso" van Colonge door roof! Want hoe wij ook puzzelen, nooit kunnen wij begrijpelijk maken dat de terugschrijdende erosie langs de veronderstelde eerste Ternin (via Colonge) ten achter zou blijven bij de terugschrijdende erosie langs een roovertje, dat ten N van . 488 zijn dal nog moest vormen in de daar voorkomende zeer weerstandskrachtige gesteenten.

Wel meent Bakker uit deze impasse geraakt te zijn door bij Sommant in het tegenwoordige Ternindal een slenk te onderstellen, waarin dan de lage „uitvalsbasis" van het roovertje gelegen zou zijn: terugschrijdende erosie (denudatie), uitgaande van een breuktrap, zou hier den roof hebben veroorzaakt. Als wij echter zien hoe weinig dit proces bereikt heeft aan den hoogeren (en volgens Bakker bovendien ouderen) breuktrap bij Moux-Alligny (zie punt 7 op pag. 559), dan blijkt deze verklaring wel erg in tegenspraak te zijn met het principe: gelijke oorzaken geven gelijke gevolgen en grootere oorzaken zeker geen kleinere gevolgen! (Vergelijk ook mijn tweede grondwet, pag. 560).

Terwijl ik dus met Bakker van meening ben dat het nauwe dal ten