is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teriaal, dat voor den dijk moest dienen, was dus vaak hoogst inferieur : vette venige klei. Bovendien is, zooals bekend, versch gestorte aarde weeker en slechter te begaan dan oudere grond, die tijd gehad heeft zich te zetten. Eene wegverharding was dus beslist noodzakelijk. Bij de ingraving, die Holwerda nabij de Karbrug liet maken (g) werd geen aanduiding van een Romeinsche wegverharding gevonden. Een steenen plaveisel, zooals op den weg bij Kesteren, dien Pleyte beschreven heeft, (zie 30, pag. 674) bestond er dus niet. Men zott echter eene verharding met hout, een soort van veenbrug, kunnen aannemen. Nu loopt het tracé afwisselend door een kom (I, II, III, V en VI) en over den vasteren grond op een der tusschenliggende ruggen. De stukken in de kommen waren alleen dan bruikbaar, als ze over hun volle lengte geheel voltooid waren, want ontbrak het wegdek nog, zoo zakte men in de modder, en was de volgende rug nog niet bereikt, dan bleef men in het moeras steken. Holwerda legt er den nadruk op, (y en „de Linge" pag. XLVIIÏ), dat deze dam een zóó reusachtig werk was, dat er tientallen jaren later nog aan gewerkt werd. De legerdam was dus eerst twee geslachten na Drusus werkelijk bruikbaar, zoodat er in de enkele jaren, die Drusus zich in deze gewesten ophield, maar een zeer klein gedeelte van gereed en begaanbaar kan zijn geweest. Men kon dus slechts over een zeer korten afstand op den agger marcheeren en moest voor het overige veel grootere deel van den marsch zijn weg nemen over een der ruggen. Zou Drusus niet ingezien hebben, dat het veel verkieslijker was heelemaal over de ruggen te marcheeren? De lezer zal het nu wel met mij eens zijn, dat de agger van Drusus niet hier te zoeken is. Ik ga hier dus niet verder op in.

Aan het rapport „Verbetering van de Boven Linge" zijn een aanzienlijk aantal dwarsprofielen van de Linge toegevoegd, waarvan ik er hier een aantal reproduceer (fig. 2) met weglating van alles wat op de uit te voeren werken betrekking heeft, omdat het er ons alleen om te doen is te weten, hoe de tegenwoordige toestand is. De oorspronkelijke nummers der profielen heb ik behouden. In No. 38-252 komen Waal wetering en Rijnwetering gescheiden voor, eerst in No. 292 zijn zij vereenigd. Men ziet, dat de afstand tusschen beide weteringen niet constant blijft, vooral in No. 242 en 245 is hij zeer gering. Voorts blijkt, dat er niet slechts twee weteringen met één tusschenwal zijn, maar soms tot 5 slooten toe. Verder ziet men, dat de hoogte van den weteringwal niet veel verschilt van die van het terrein tusschen de andere slooten of daarnaast. Vaak is de weteringwal iets hooger (y2 a 24 m), zie No. 38 en 62, soms is er geen verschil, zie No. 108, 138, 166, 184, 189 en 252, soms ligt de wal zelfs iets lager, zie No. 242 en 245.

Hoe is het nu te vei klaren, dat de Boven-Linge niet uit één enkel kanaal bestaat (a) maar over grooten afstand uit twee parallel loopende slooten, de Waalwetering en de Rijnwetering, die gescheiden worden door een „tusschenwal"? En waarom loopen ook de zijweteringen vaak over een aanzienlijken afstand (tot 1500 en zelfs 3000 m