is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevonden. Vollgraff schrijft ten minste hierover, pag. 20: ,,Echter mist men voor deze jongere theorie" (Drususgracht gelijk Vecht) „het doorslaande bewijs, en een bezwaar wordt gevormd door de omstandigheid, dat onder de zeer rijke vondsten die bij de opgravingen te Vechten zijn gedaan, aardewerk uit den tijd van Drusus schijnt te ontbreken."

De vondsten spreken dus m.i. tot dusverre eerder tegen, dan voor de Vecht-route, negatieve vondstbewijzen mag men wel aanwenden, wlanneer het gaat om aanzienlijke, gedurende vele jaren bewoonde nederzettingen, maar niet ten opzichte van een kort bezoek of een reis via deze plaats.

KAARTEN EN LITERATUUR

1. Geologische Kaart van Nederland, Geol. Stichting (Rijks Geol. Dienst), 1 : 50000, Top. Inr., de bladetn 39 I-IV, 40 I-IV, 41 III, 45 II en 46 I.

2. Geologische Overzichtskaart van Nederland, Uitg. Geol. Mijnb. Gen. en Rijks Geol. Dienst, 1 : 200 000, Top. Inr., blad 15.

3. Chromotopografische Kaart des Rijks, I : 25 000, Top. Inr., de bladen 471, 472, 486-494, 507-SiS, 529-537, 550-555, 568-;573-

4. Waterstaatskaart 1 : 50 000, Top. Inr., de bladen 39 I-IV en 40 I-IV.

5. Karte des Deutschen Reichs, Messtischblatter 1 :25 000, Preuss. Landesaufn. Berlin, de bladen 2276-2280, 2350-2354 en 2425-2428.

6. Der Rheinstrom und seine wichtigsten Nebenflüsse v. d. Quellen bis zum Austritt u.s.w.. Centralbureau f. Meteor. u. Hydrogr. i. Baden. Berlin, 1889.

7. Verbetering van de Boven-Linge, Rapport door Ir. R. Ver Loren van Themaat, met Bijlage van Ir. D. I. Luteijn, 1941, Nijmegen (niet gepubliceerd).

8. Beelaerts, W. A., Rijn en Linge. (Oudh. Meded., Rijksmus. Leiden, N.R. IV, 1922).

9. Blink, H., Nederland en zijne bewoners. Van Looij, Amsterdam, 1892.

10. Bitlle, H., Untersuchungen über die Geschiebeableitung bei der Spaltung von Wasserlaufen.

11. Chambalu, August, Die Stromveranderungen des Niederrheins seit der vorrömischen Zeit. 1892.

12. Dederich, Andreas, Geschichte der Romer und der Deutschen am Niederrhein, insbesondere im Lande der Chamaver oder Hamalande. Emmerich, Romen'sche Buchhandlung, 1854.

13. Duffel, 1., Die Emmericher Stadterhebung. (Ann. Histor. Ver. f. d. Niederrhein, Heft 124, 1934).

14. idem, Zur Frage der Stromverlagerungen am unteren Niederrhein, (Ann. Hist. Ver. f. d. Niederrhein. Heft 128, 1936).

15. Hettema Jr., H., De Nederlandsche wateren en plaatsen in den Romeinschen tijd. Martinus Nijhoff, 1938.

15a. Hol. Jacoba, Meanders, hun beteekenis en ontstaan. (T.K.N.A.G., 1939, pag. 161 e.v.).

16. Holwerda, J. H., De Linge, (Oudheidk. Meded. uit 's Rijksmus. v. oudh. Leiden, N.R. II, pag. XLI/LIII, 1922).

17. idem, Nederland's vroegste geschiedenis. Van Looij, Amsterdam, 1925.

18. idem, Nederland's vroegste geschiedenis in beeld, Oudheidkundige platenatlas, 1912.

19. idem, Zwei neue Inschriftsteine aus Holland, (Germania, Anzeiger d. Römisch-Germanischen Komm. d. deutschen Archaol. Inst., Jrg. 23, 1939)

20. Leijden, Fr., De Drususgracht en de voormalige meanders van Rijn en IJssel, (T.K.N,A.G., 1939, No. 5).