is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het opschuren voor de eerste maal rijst uit de schuur of het rijstvat gaat halen (als regel doet de vrouw dit werk), legt men er eerst wat gekookte rijst met ei voor de „rijstmoeder" neer, en in de bindsels aan den buitenkant worden planten gestoken: kakea (Bare'e lokaja, wilde framboos, Rubus pungens), hoele-hoele (een hooge grassoort, Bare'e oeraho), tariang (Bare'e morompa; Eleusine Indica), en sahoeloe (Bare'e teftari; Scleria scrobiculata). Bij de afgeoogste sawahs zijn bamboe staken in den grond gezet, waaraan deze kruiden, en bovendien de bladeren van de animo (Bar. aroeroe; Caryota Rumphiana) en veeren van geslachte hoenders zijn gebonden. Aan den binnen- en aan den buitenkant van het rijstvat staan boomstammen met treden, waarlangs men in het vat opklimt en afdaalt.

95. Oogstfeest

Wanneer alle rijst in vaten en schuren is opgeborgen viert het geheele dorp in het Galoempangsche een oogstfeest, dat den naam draagt van mekendek „opgaan, naar boven gaan". Waar dit op slaat is mij niet bekend; in verband met de beteekenis van het oogstfeest bij de Oost- en de West-Toradja's zou dit „naar boven gaan" gezegd kunnen worden van den Rijstgeest, die naar den hemel terugkeert. Het feest begint met het slachten van een varken. Wanneer de maaltijd gereed is, wordt op de trom geslagen, en de offerspijs wordt op dit instrument gelegd, waarbij de goden (dewata) worden uitgenoodigd daarvan te komen nuttigen. Deze plechtigheid draagt den naam van ma'toendan pekendekan „het oogstfeest wakker maken", d.i. in gang zetten. Na afloop van den maaltijd wordt gezongen (menani) ; dit doen alleen mannen, die tegenover elkaar staan met een speer in de hand, en gebeurt overdag. Is de avond gevallen, dan wordt weer een varken geslacht en zet men het zingen voort om een houtvuur. Dit wordt den volgenden avond herhaald, en deze plechtigheid heet dan ma'pasoeroei „een magische kracht in iets brengen". Dit kan slaan op hetgeen de tobara' daarna gaat doen en dat den naam draagt van ma'bambaloang.

Hij neemt dan een steen, die palosa heet, waarvan de beteekenis misschien is „die breed, ruim maakt", d.i. die maakt dat er veel rijst is. Zoo'n steen is van de voorouders afkomstig en wordt door den tobara' bewaard. Hij legt den steen op een bord en wascht hem daarop af; dan giet hij palmwijn op het bord, en roert het vocht langen tijd met den steen om. Daarna drinkt hij den palmwijn op. Zoo doet hij tweemaal. Dan brengt hij het bord aan de noordzijde van zijn woning, legt sirih-pinang op den offerstok (takala'), en roept de dewata aan om levenskracht te schenken aan menschen, dieren en planten.

Het is inmiddels namiddag geworden en nu gaan allen naar het water, met zich medevoerende de „rijstmoeder" van de akkers van den akkerleider (todoloe) en zijn assistent (porapi). Deze bos heet nu kombo, en de stelen er van zijn met bladeren omwikkeld. Na aankomst bij het water wordt daar een offerstok (takala') opgericht, en daarop worden sirih-pinang en 20 tot 30 pakjes gekookte rijst gelegd,