is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1942, 01-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mende variaties zijn: a. de Oeloe Karoea, d.w.z. de acht hoofden, naar een figuur die achtmaal voorkomt; b. de Baba Dewata, d.w.z. de goden-lendengordel; c. de Leien Sepoe, d.w.z. met de figuur van het sirihzakje, omdat het motief van deze kain ook voorkomt op de kraalgeweven sirihzakjes, die hier inheemsch zijn".

Voor de techniek van het weven kan ik verwijzen naar het opstel van J. Kruyt, Het weven der Toradjas (Bijdragen, 18, 1922, pag. 403-425)- Alleen moge hier nog iets over bijgeloovigheden in verband met het weven volgen. Wanneer een vrouw pas begonnen is met het weven van een doek moet men niet achter haar om loopen; het gevolg daarvan zou zijn dat de draad telkens afbrak. Wanneer het werk wat meer gevorderd is komt dit er minder op aan. Ook wanneer een hond over het getouw heensprong, of een mensch er overheen stapte, zou de weefster veel last hebben van het breken van de draad. Wanneer er een doode in het dorp is, mag niet worden geweven; dit verbod zal wel in de eerste plaats het gerucht gelden dat door weven gemaakt wordt, en dat in rouwtijd vermeden moet worden. Ook droomen zeggen de vrouw veel in verband met weven. Droomt zij dat wolken zich samenpakken, dan zal ze veel katoen oogsten. Ziet ze echter in haar droom de wolken wegtrekken, dan zal het haar bij het weven niet voorspoedig gaan. Gaat haar weefspoel in den droom telkens verkeerd, dan zal ze den doek dien ze aan het weven is spoedig verkoopen; gaat alles in den droom van een leien dakje bij het weven, dan zal ze geen voorspoed hebben. Wanneer ze een slechten droom heeft gehad zal ze dien dag niet weven. Indien een storm opsteekt, zal ze dadelijk het lendenstuk (taleko) en het zwaard (balida) waarmee de draden worden aangeslagen, in het getouw oprollen, want dan mag niet geweven worden.

106. Foejakloppen

Naast het weven van doeken wordt in het Galoempangsche nog steeds kleedingstof uit boomschors geklopt. Dit werk wordt alleen door mannen gedaan, die het daarin niet ver hebben gebracht. Ze doen dit zoowel in huis als in het bosch. De bewerking van de boomschors heeft plaats met houten hamers (pebamba) ; steenen hamertjes, zooals die in gebruik zijn bij de Oost- en de West-Toradja's, kent men hier niet. Het is alleen een grove soort foeja die geklopt wordt, en waarvan lendenwindsels, baadjes en hoofddoeken worden gemaakt. Het zijn alleen mannen, die foeja dragen; het gebruik schijnt sterk achteruit te gaan. Tijdens mijn bezoek aan dit land in '26 zag ik slechts één man met een foeja lendendoek loopen.

107. Pottenbakken

In Seko worden in de vier dorpen Lodang, Wono, Sae (Amballong) en Pewaneang potten gebakken; vooral in laatstgenoemd dorp heeft deze industrie een groote vlucht genomen, omdat men van Lemo en uit het grensgebied van Galoempang hier zijn potten komt koopen. In het Galoempansche werden mij twee plaatsen genoemd waar deze nijverheid bloeit: voor het oostelijk deel Tararang, voor het