is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op den duur door weer en wind tot kleine, lage heuveltjes zijn geworden en soms nog het vroegere verloop van die armen verraden. Meestal echter zijn deze pollenresten zoo vermengd met andere pollenresten uit alle mogelijke stadia van windkuilverwaaiing, dat er slechts een chaos van kleine bodem-oneffenheden overblijft. Soms valt in een del een strook pollenresten op, die dwars op "de overheerschende windrichting staat. De verklaring hiervan is wel deze: wanneer een waaiduinenreeks op een gegeven oogenblik tijdelijk door plantengroei vastgelegd wordt en daarna hernieuwde algemeene verwaaiing optreedt, is er veel kans, dat de reeks windkuilen, waarmee die verwaaiing begint, niet geheel aan den voet ontstaat, maar een weinig hooger. De voet is immers het meest beschutte gedeelte. Op deze wijze blijft er overdwars een strook pollen staan als een herinnering aan een korte stilstandsperiode in de verplaatsing van de waaiduinen(reeksen). Deze strook pollen is nooit erg breed, omdat de windkuilen, na hun begin op zekere hoogte, spoedig dieper werden. In het klein kan dit verschijnsel voorkomen bij het begin of bij vernieuwing van iedere windkuilverwaaiing.

Wij moeten nog even terugkeeren naar den zeereep en nagaan, wat daarmee intusschen kan zijn gebeurd (fig. 17, I t/m Illb). Want veel van het zand, dat in den vorm van boog- en waaiduinen over een niet zelden aanzienlijk breede strook achter den zeereep ligt, moet daarvan afkomstig zijn. Niet al het zand, want bij onze jonge Haagsche duinen is een aanzienlijk deel niet afkomstig van den zeereep, maar van de oude hdo-duinen, welke bij de verwaaiing van den zeereep overstoven werden en waarvan het zand, bij voortgezette verwaaiing, bij dat van de jonge waaiduinen werd gevoegd. Wij hebben al gezien, dat gedurende het ontstaan van het jonge duinlandschap bij s-Gravenhage al het door de zee aangebrachte zand aan de duinen ten goede is gekomen, en dat er geen overschot was om het strand in breedte te doen toenemen, laat staan een nieuw lido vóór den zeereep te doen ontwikkelen. Nu kunnen wij ons indenken, dat een tijdlang bij matigen wind er van den zeereep minder zand verwaaide, dan in dienzelfden tijd van het strand er aan toegevoegd werd. Dan zal de zeereep in breedte zijn toegenomen, totdat de duinvoet zoover zeewaarts was gegroeid, dat hij bij den eerstvolgenden storm hevig werd afgeslagen en groote openingen in de helmvegetatie ontstonden. Dan moest de zandverwaaiing wel toenemen, net zoolang tot deze even groot was geworden als de zandtoevoer. De evenwichtstoestand is dan bereikt (fig. 17, IV). In dit geval bleef de zeereep als land^chapsvorm op zijn plaats, onder voortdurende doorgifte van zand.

Wij kunnen ons echter ook voorstellen dat er tijden zijn geweest, waarin de zeereep aan zijn voet zoo vaak en zoodanig door stormen werd afgeknabbeld, dat een intensieve verwaaiing er het gevolg van was. Daarbij kon er méér zand landinwaarts geblazen worden, dan in kalmere perioden, tusschen de stormen in, aan den zeereep werd toegevoegd. Het gevolg daarvan was, dat de zeewaartsche helling van den zeereep als een steil klif steeds verder terugweek. Tegelijk werd