is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van plantengroei kunnen bespeuren; ophooping van rottingsstoffen en zaden vond hier blijkbaar slechts in geringe mate plaats, en de menschen zullen op dit, ook in het vroege voorjaar druk bezochte gedeelte van het strand alle eventueele plantenontkieming wel verhinderd hebben. Dit zal zeker de toestand van de laatste tientallen jaren geweest zijn: ophooging van het strand na stormen, echter zonder ontwikkeling van plantengroei in den strandwal. Het gevolg daarvan is, dat bij eenigszins sterken wind er veel zand van den strandwal weggeblazen wordt en deze aanzienlijk aan hoogte inboet. Hoe rechter de wind daarbij op de kust staat, des te meer zand er tegen de duinhelling opwaait, waar de helm gereed staat om het vast te leggen. Zoo speelt zich hier het afwisselende spel af tusschen duinaanwas en duinafslag, en pas na verloop van ettelijke jaren zal blijken, welke van beide de sterkste zal zijn geweest.

Het gemiddeld 200 m breede bovenvlak van den zeereep is geenszins glad, maar vol oneffenheden. In de eerste plaats vallen nagenoeg O.-W. gerichte hoogere richels op; dit zijn overgebleven resten van den kam, pollenduinen dus, waartusschen eens bressen zijn geslagen, welke voor een goed deel alweer geheeld zijn (foto 3). Dan zien wij tallooze wind kuilen, dicht bijeen, bovenop en in de landwaartsche helling van den zeereep. Deze zijn eveneens globaal O.-W. gestrekt; grootere bereiken een lengte van 150 m en meer, de meeste zijn kleiner en bevinden zich zoowel öp als tusschen de bovengenoemde hoogere richels. Het is opvallend, dat geen enkele bres of windkuil in de steile zeewaartsche helling van den zeereep begint. Het lijkt alsof daar alle eventueele vroegere nissen, door windkuilwerking in het bovenste gedeelte ervan ontstaan, als het ware met een reusachtig plamuurmes naar boven toe dicbtgestreken zijn. Ongetwijfeld zal de wind daaraan debet zijn. Toen in den allerjongsten tijd, zooals wij boven zagen, het duin door afslag afkalfde, zal de wind onmiddellijk met het vrijgekomen zand den bovenkant der steile helling gladgestreken hebben en deze zelfs lichtelijk hebben opgehoogd. Inderdaad is bovenop het klif met enkele onderbrekingen een zeer smalle en veelal scherpe kam te zien, die wij — in tegenstelling met de bovenbeschreven aangroeistrooken — o pwaaistrook zouden kunnen noemen (foto 3, tusschen de pollenrichels in). Vandaar dat men van het strand af den zeereep als één doorloopenden duinwal ziet, wel is waar met golvenden bovenkant, maar met gladde helling zonder inhammen, zoodat men geenszins zou vermoeden, dat dezelfde zeereep bovenop zoo'n intensief verwaaiingsreljëf vertoont. Dit verwaaiingsreliëf, de genoemde richels en windkuilen, begint immers vlak achter de opwaaistrook.

De binnenwaartsche helling van den zeereep is op de meeste plaatsen steil en duidelijk te onderscheiden van het erachter gelegen duingebied. Bijzonder goed is dit te zien ter hoogte van de strandpalen 98 en 97. Het valt op dat daar, tusschen de hoogere richels op den zeereep, de bressen op veel hooger niveau liggen dan de zich er achter bevindende vlakte; er is tusschen deze beide een duidelijke trede aanwezig.