is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in groote trekken de duinen in haar macht heeft en ook in haar macht houdt en dat de wind er buitengewoon weinig tegen in te brengen heeft. Evenals bij den zeereep, achten wij ook in het overige duingebied de hedendaagsche zandverplaatsing niet meer in staat de groote verwaaiingsvormen te scheppen, die wij er aantreffen. Ook hier krijgen wij sterk den indruk, dat deze vormen voortijdig door den plantengroei zijn vastgelegd en dat dus thans de omstandigheden anders zijn dan in vroegere tijden, toen die verwaaiingsvormen ontstonden.

Ten slotte zouden wij willen opmerken, dat de bovenbeschreven oppervlakte-vormen slechts na grondige stereoscopische bestudeering van de luchtfoto's in het terrein terug te vinden zijn, maar ook dan nog veelal zeer onvolledig. Wanneer men in de duinen wandelt, ziet men slechts goed de kleine vormen, zooals pollenduinen en kleinere secundaire windkuilen (foto 9), welke de eigenlijke grootere vormen (boog- en waaiduinstelsels) als het ware met litteekens bedekken (foto 8). De secundaire windkuilen hebben deze grootere vormen meestal zoo intensief gehavend, dat de gedaante ervan ten zeerste vertroebeld is geworden. De op het dekblad van de kaart geteekende duinruggen zijn in het terrein dan ook maar af en toe te herkennen en te vervolgen. Men bedenke, dat deze ruggen nu eens zeer breed en doorkloofd met windkuilen zijn en dan weer zeer smal en laag met verscheidene hoogere toppen en dikwijls zóó versneden, dat zij slechts uit een soms erg gapende — rij pollenduinen bestaan. Onder de stereoscoop is duidelijk te zien, welk een sterk in hoogte wisselend verloop die duinruggen hebben en ook, dat sommige hoogduin- en waaiduinstelsels veel hooger liggen, dan andere aangrenzende, zoodat deze laatste wel aan den voet of halverhoogte uit de eerste schijnen te ontspringen. Jammer genoeg konden deze zeer belangrijke verschijnselen op het dekblad van de kaart niet worden ingeteekend. De anaglyf geeft deze verschijnselen echter zeer goed weer. Voorts treft men o.a. verscheidene vlakke gedeelten aan, waar de bodem tamelijk versneden is, zoodat men in de smalle geulen loopend geenszins vermoedt in een vlakte te zijn. Door het onttrekken van grondwater op groote schaal door de Haagsche Duinwaterleiding is noodzakelijkerwijze de grondwaterspiegel dieper komen te liggen, op sommige plaatsen wel eenige meters. Hierdoor is de benedenste verwaaiingsgrens aanzienlijk gedaald en kon bv. bij veelvuldig geloop langs dezelfde uitgetreden paadjes de met zand beladen wind deze helpen uitslijpen tot kleine holle weggetjes, die het oorspronkelijke vlakke karakter van het terrein moeilijk herkenbaar maken.

2. Het duingebied tusschen Scheveningen en K ij k d u i n. Dit gedeelte van de Haagsche duinen, ook wel de Westduinen genaamd, is afgebeeld op het onderste gedeelte van de luchtfoto-kaart. Nu wij het duingebied tusschen 's-Gravenhage en het Wassenaarsche slag hebben leeren kennen, valt ons de groote gelijkenis ermee op. Twee strooken kunnen wij hier onder-