is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd in 1937 ongeveer ƒ 200 000.— uitbetaald. Alles zag er even frisch en keurig uit en maakte een bijzonder gunstigen indruk. En hoe rustig was een ieder er aan 't werk! De ongeschiktheid van den inlander voor industrieel werk is niet meer vol te houden. Geen week gaat er thans voorbij of een of ander nieuw fabrieksbedrijf wordt opgericht. De industrialisatie gaat voortdurend voort. Bandoeng en vooral Soerabaja zijn thans belangrijke fabrieksplaatsen geworden.

Van nog meer beteekenis is echter de immigratie van Javanen uit de overbevolkte streken naar de dun bevolkte gebieden. Beter is het van transmigratie te spreken. Bekend is hoe vele Madoereezen zich in Oost-Java hebben gevestigd en dat er hier reeds vier millioen wonen, het dubbele van het aantal op Madoera zelf. Van toenemende beteekenis is ook de vestiging van Javanen op de dun bevolkte Buitengewesten ; op Borneo, Celebes en vooral op Sumatra, met name in de Lampongsche districten en op Sumatra's Oostkust. Reeds meer dan één millioen Javanen vindt men thans in de Buitengewesten en hun aantal neemt, nu deze emigratie werkt als een sneeuwbal, nog voortdurend toe. Vooral naar Sumatra, dat met slechts 8 a 9 millioen bewoners en een dichtheid van slechts 17 a 18 per km2 nog heel wat menschen een bestaan verzekeren kan in verband ook met de cultures1). Ook met deze Javanenkolonisatie maakten wij kennis, zoowel in Benkoelen als in de Minangkabau en vooral op Sumatra's Oostkust. Ook dit kolonisatie-probleem bood den geografen tal van belangrijke aspecten.

Uitgestrekt als vooral op Noord-Sumatra de dun bevolkte alang alangvlakten en boschgbieden nog zijn, werd meermalen de \ raag gedaan of er ook voor kolonisatie van blanken geen plaats is. Bezoeken aan de „kebon" van den heer Konijn op de hellingen van de Sinaboeng nabij Kaban Djahé en aan de Dairi-kolonisatie van eenige oud-planters nabij Sidikalang bewesten het Toba-meer bewezen, dat uiterst schuchtere pogingen daartoe thans worden gedaan en veelal met een zekere vijandigheid worden gadegeslagen. Het grootbedrijf, de groot-landbouw, wil blijkbaar van deze kolonisatie nog niets weten, staat er even onverschillig of vijandig tegenover als nog tien jaren geleden tegenover het industrialisatieprobleem. Maar ook hier zal de tijd voor een breeder inzicht en ruimer opvattingen komen. Reeds worden plannen beraamd om een aantal I' riesche of Groningsche boeren naar de hoogvlakten om het Toba-meer te doen emigreeren en hier onder meer het zuivelbedrijf tot ontwikkeling te brengen, gelijk wij dat reeds hier en daar op de hoogvlakte van Bandoeng leerden kennen. Of er van de ruim 400000 werkeloozen in Nederland voor eenig honderden alsnog een plaats in ons rijk koloniaal gebied zal worden gevonden, hangt van vele omstandigheden af, in de eerste plaats van den meer of minderen pioniersgeest der betrokkenen zelf. In elk geval staat ons volk hier nog voor een grootsche taak, nu uit-

1) Vgl. Dr. H. Lehmann, Die Bevölkerung der Insel Sumatra. Petermanns

Geogr. Mitt. 1938. Heft 1.