is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ber 1938 een doorsteek van de Paniai-streek uit naar de oostkust van de Geelvinkbaai voltooid. I)e tocht ging door zwaar bergterrein en heeft 14 dagen in beslag genomen. (Aneta).

Ontdekkingen van oude cultuur in Nieuw-Guinea. — De assistent-resident van West Nieuw-Guinea, dr. W. J. Cator, heeft op een dienstreis langs de zuidkust te Namatote rotsteekeningen, afkomstig van een zeer oude, primitieve cultuur ontdekt. Deze teekeningen komen overeen met die bij Kokas, welke destijds door de Frobenius-expeditie onderzocht zijn. Namatote is vermoedelijk de plaats, waar de oude cultuur van het oude rijk Modjopahit de eerste aanraking verkreeg met Nieuw-Guinea.

(Maasbode, 8-11-1938).

De middenloop van de Rhone zal bevaarbaar worden gemaakt.

Frankrijk en Zwitserland zullen samenwerken om de Rhone van het meer van Genève tot aan Lyon bevaarbaar te maken. Frankrijk eeft zich bereid verklaard Lyon en Marseille als vrijhavens voor Zwitserland open te stellen. Daar de gemiddelde waterafvoer van de Rhone te gering is, zal door aanvulling uit het meer van Genève de waterstand op peil worden gehouden. Verscheidene krachtcentrales zullen in samenhang met de kanalisatie-werken worden gebouwd. (Zeitschr. für Erdk. 1938, Heft 18).

Opgravingen van paalbouwresten en oude meerniveaus van het t'e,er meer# ~ Bij Lüscherz, aan den zuidelijken oever van het ieler meer is men in den herfst van 1937, onder leiding van dr. Ischer uit Bern, weer begonnen met het opgraven van paalbouwresten. De paaldorpen hier zijn typische nederzettingen aan et water geweest. Dit is weer bewezen door het vinden van de resten van twee bruggen, die bij het paaldorp „Unter den Fluh" beoosten Lescherz behoorden. De afstand tusschen de 70 m lang-e ruggen was 30 m. Op sterke eiken palen rustte een balkenlaag van ongeveer 3 m breed, zoodat niet alleen de menschen en hun vee, maar ook wagens over de bruggen konden gaan. Op de plaats aar de bruggen in het dorp kwamen, heeft men sterke onderleggers van palen gevonden, die erop wijzen, dat hier een soort

zelf r:r t0egang..tot,^nederzetting &aven. De nederzetting zelf was door een palissade beschermd. De einden van de bruggen aan de landzijde waren gekenmerkt door beschoeiingen van steenen die men terugvond onder 60 a 70 cm zand. Verder gaf een aanspoehngsrand van halfverkoolde plantenwortels en slakkenschelpen een oude kustlijn van het meer aan. Uit deze gegevens weet men, dat het gemiddelde meerniveau tijdens hft jongPalaeolithicum op ± 429,4 m boven zee-niveau lag. Dit is dus hooger dan den tegenwoordigen stand van 429,0 m en lager dan

43HM m VÓtr dC verbeterin& van de Jura-rivieren in 1870. De standen van het water van de Jura-meren komen