is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten slotte zij nog een enkel woord gewijd aan de beteekenis der dalmeanders voor het verkeer. Gunstig is deze, in zooverre door de meandervorming een breedere dalbodem geschapen wordt, want de groote, diep ingesneden dalen zijn in de gebergten, ook in de middelgebergten de aangewezen verkeerswegen. Slechts daar, waar de dalbodem niet breed genoeg is, of te veel aan overstroomingsgevaar is blootgesteld, of te vaak de rivier in den hollen oever den dalwand raakt, zoodat daar ter plaatse verkeer uitgesloten is, mijdt het verkeer deze dalen, wanneer althans een andere weg gevonden kan worden. Speciaal geldt dit voor sterk meanderende dalen, daar door de meanders de lengte bovendien nog sterk vergroot wordt. Zoo volgt bv. de spoorlijn van Coblenz naar Trier eerst het beneden-Moezeldal tot Cochem, in dit gedeelte, waar het Moezeldal geen groote meanders bezit, maar slechts enkele kleinere krommingen vertoont, waren voor den aanleg dezer lijn slechts een paar kleine tunnels noodig. Bij Cochem wordt het eigenlijke meanderdal bereikt, en reeds dadelijk snijdt de spoorlijn een dalkromming van hoogeren orde, waarin enkele meanders, af in den bekenden Kaiser Wilhelm-tunnel, die een lengte van 4200 m bezit (gebouwd 1874—77; bouwkosten 4 millioen RAI). Na nog een tweetal meanders in kleinere tunnels afgesneden te hebben, \ erlaat de spoorlijn het Moezeldal, om door de uitruimingslaagte van Wittlich heen, eerst dicht bij Trier weer het Moezeldal te bereiken. Eerst in 1905 werden de talrijke wijnstadjes langs den Moezel stroomopwaarts van Cochem uit hun isolement verlost door den aanleg van de Moseltalbahn, die van Trier tot Bullay steeds langs den rechter oever de reusachtige Moezelmeanders volgt. De lijn heeft hier 38 stations en een lengte van 102,2 km, terwijl de afstand TrierBullay langs de lijn door de Wittlicher Senke slechts 52,3 km bedraagt.

Nu is het Moezeldal een dal met breeden dalbodem en veelal „losse" meanders, waar de spoorwegaanleg niet op zeer groote moeilijkheden stuitte, zooals wel het geval is bij den spoorwegaanleg in tal van kleinere meanderdalen in de middelgebergten, waar in de concave oevergedeelten vaak geen dalbodem aanwezig is, zoodat men tot tal van kunstwerken zijn toevlucht moet nemen: spoorbruggen om de ri\ iei te kruisen, tunnels en insnijdingen door meandersporen, enz. Om slechts één enkel voorbeeld uit duizenden te noemen: de spoorlijn Luik—Aken door het Vesdre-dal heeft tusschen Angleur en Pepinster op een afstand van 18 km niet minder dan 10 tunnels en 12 spoorbruggen. Dit enkele feit belicht voldoende, welk een enorme last in zulke dalen de dalmeanders op den spoorwegaanleg leggen.

Zoo vormen de dalmeanders, hoe veelvuldig zij ook Voorkomen, in het landschap toch een speciaal verschijnsel, waardoor zij sociaalgeografisch nog grootere beteekenis verkrijgen.

K.N. A. G., LVI.

12