is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is onmogelijk, bij de behandeling van al deze zaken niet te komen op natuurbescherming en op het werk van vele vereenigingen waarvan de naam aan onze jeugd toch evenzoo goed bekend moet zijn,' zoo niet beter, dan de namen van zoovele wateren, vulkanen of produkten. De Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten heeft zijn naam wel al gevestigd bij ons onderwijs, maar dienen wij daarnaast niet vele andere te noemen ? De Hollandsche Molen, het Rijksbureau voor Monumentenzorg, Menno van Coehoorn, Staatsboschbeheer, Hendnck de Keyser en tenslotte Heemschut? De „Commissie tot bevordering van de Heemschutgedachte onder de Jeugd" zou ons inziens goed doen, ook dit middel eens te overdenken. „Moge heemkunde opwekken tot gezonde waardeering van eigen goed en schoon het is een onderdeel der volksopvoeding, dat wel degelijk met ernst mag worden overwogen", zei Mertens op den Eimburgschen heemkunde-dag. („De nieuwe koerier", Roermond 2i-XI-'3Ö) Laten we deze beschouwingen eindigen met wat prof. Buytendijk in , De Trekker van 1933 schreef:

„De mens wil een landschap kennen, en moet het kennen, omdat dit een ervaren is, een persoonlijk en onmiddellijk ervaren van de. tegenstelling en verbondenheid van natuur en cultuur. Natuur als dat groot en machtig zelfstandig zijn, dat in de eigen wettelijkheid en toevalligheid, in de mildheid en weelde van vorm en gebeuren, \ an groei en vergaan, zich toont en ons aangrijpt en dwingt tot bewondering en verwondering. De jeugd, die geen natuur meer ervaren kan, mist een machtige spoorslag van geestelijk leven. Het landschap is echter meer nog dan natuur.

Bijkans overal en zeker in ons land spreekt het landschap van de mens, van zijn geschiedenis en zijn beschaving. Ook hierom moet de Jeugd het kennen, ervaren in direct contact."

Het gebruik der twintig uitgekozen bladen, ïerover moeten wij korter zijn, want de ervaring zal dit nog moeten leeren. En ieder gebruiker zal het weer anders doen. Buitenlandsche zusteruitgaven deelen ook niets daaromtrent mee; hoogstens vinden wij vermeld, dat men het leerboek niet wil vervangen door de vaarten En natuurlijk, dat het de bedoeling der behandeling moet zijn, dat de leerlingen tenslotte een duidelijk beeld van de landschappen krijgen. Maar hoe?

Wanneer een school slechts de beschikking heeft over één exemp aar zal een lantaarn goede diensten kunnen bewijzen. Een episcoop is nu langzamerhand wel in de meeste scholen aanwezig en gekleurde p aten doen het goed daarin. Wij stellen ons voor, dat de meeste mappen wel op deze manier zullen gebruikt worden. En dan is er al veel bereikt. Evenwel lijkt het ons veel beter, wanneer de leerling ook eens zelf een kaart in handen krijgt. Klassen van 40 leerlingen komen niet voor, dus uit een verzameling van 20 kaarten kunnen twee leerlingen samen een blad voor zich krijgen. Wij doen dit al jaren 700 en met behulp van een vragenlijst trekken ze er dan op uit: èn om