is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EXPLORATIE NAAR GOUD IN NEDERLANDSCH ZUIDWEST NIEUW-GUINEA

DOOR

Ir. C. J. GOUWENTAK m.i. (met twee kaartjes, één panorama en vier foto's)

Door de Mijnbouw-maatschappij Nederlandsch Nieuw-Guinea, opgericht door verscheidene kapitaalkrachtige vennootschappen, is in 1936 een concessie verkregen tot het opsporen en ontginnen van alle delfstoffen, waarbij hoofdzakelijk het winnen van goud beoogd wordt. Ruwweg omschreven, strekt de concessie over een 60 km breede strook van de Noordkust, welke strook over circa 300 km langs de grens ligt, en waarbij in het zuidelijk gedeelte naar het Westen toe een rechthoek is aangesloten van ongeveer 270 km lang in O.-W.lijke richting, bij p.m. 140 km breed. De ZW.lijke hoek van dezen rechthoek is afgeschuind, zoodat een gedeelte van het moerassige gebied er buiten valt. Het oostelijk gedeelte van het centrale bergland op Nederlandsch terrein valt er dus geheel in; de noordelijke grens van den rechthoek loopt ongeveer 15 km benoorden den Wilhelmina-top. Het eerste gebied, waarin de exploratie daadwerkelijk is begonnen, omvat het westelijke gedeelte van de zuidwestelijke afwatering van het centrale bergland. Daarvoor is in Maart 1937 een expeditie daarheen vertrokken met als eerste doel de exploratie der Noordoostrivier, waaraan ik heb deelgenomen. In het onderstaande is een kort overzicht gegeven van onze ervaringen en van de verkregen resultaten. Aangezien van deze rivier de hoofdzaken reeds bekend zijn door de expedities van mr. H. A. Lorentz en J. W. van Nouhuys, alsmede de militaire exploratie in de jaren 1907 tot en met 1909, heb ik getracht herhalingen te vermijden en mij te beperken tot het eigenlijke doel der expeditie, daarnaast echter opgenomen hetgeen mij op ander gebied van belang voorkwam.

De expeditie bestond uit: den oud-kapitein Becking, belast met de leiding; de mijn-ingenieurs Terpstra en Gouwentak, waarvan de eerste tevens plaatsvervangend leider was; den opzichter Schreurs en den marconist Féderoff. Het dekkingsdetachement werd gecommandeerd door den ien luitenant Berghuis en bestond uit twee Europeesche onderofficieren, waarvan één sergeant-ziekenverpleger, en twee brigades inlandsche soldaten. Voorts 200 Dajaks en later nog 50 Soendaneezen. Het stoomschip Kampar van de Koninklijke Paketvaart Mij., onder bevel van den gezagvoerder Van Oorschot, was ter beschikking van de expeditie, heeft ons zoo ver mogelijk de rivier opgebracht en voorts gezorgd voor aanvulling der voorraden tot daartoe.